|
Uitspraak
02/2112 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Nuts Zorgverzekeringen U.A.,
gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Utrecht van 19 februari 2002, reg.nr. SBR 00/2245.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar
appellante is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door mr. E. van der Marel, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreidere weergave van de feiten en de toepasselijke
algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Appellante is sedert november 1996 werkzaam als zelfstandig ondernemer.
De Belastingdienst heeft in 1999 vastgesteld dat haar inkomen in de voor
haar toepasselijke referteperiode 1996 en 1997 onder de ingevolge
artikel 3d van de Ziekenfondswet (Zfw) geldende inkomensgrens ligt en
dat zij als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verzekering
ingevolge de Zfw in 2000. Ingaande 2000 is appellante bij gedaagde
ingeschreven als van rechtswege (ook wel genoemd: verplicht) verzekerde
ingevolge de Zfw. Zij is uitsluitend in dat jaar ingevolge de Zfw
verzekerd geweest, aangezien haar inkomen sedert 1998 boven de
inkomensgrens ligt.
Appellante en J.P. [partner] - met wie zij nadien, in juli 1998, is
gehuwd - hebben in 1997 besloten hun relatie voort te zetten. Vaststaat
dat het inkomen van [partner] niet was onderworpen aan verzekering
ingevolge de Zfw.
In 2000 heeft appellante gedaagde verzocht de dochter van haar en
[partner] in te schrijven als medeverzekerde krachtens de Zfw. Bij
besluit op bezwaar van 19 oktober 2000 heeft gedaagde vastgehouden aan
haar weigering de dochter als medeverzekerde aan te merken. Daaraan ligt
ten grondslag dat appellante, gezien de verhouding tussen haar inkomen
en dat van [partner], niet als kostwinner in de zin van artikel 4,
tweede lid, van de Zfw, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de -
ministeriële - Regeling medeverzekering ziekenfondsverzekering (de
Regeling) kan worden beschouwd.
In beroep tegen het besluit van 19 oktober 2000 heeft appellante
vooropgesteld dat zij wel voldoet aan het kostwinnersvereiste, aangezien
haar inkomen in de regel ten minste de helft heeft bedragen van het
gezinsinkomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat het in artikel 6, eerste
lid, derde volzin, van de Regeling voor zelfstandigen voorgeschreven -
fiscale - inkomensbegrip wegens strijd met de door haar genoemde
nationale en internationale discriminatieverboden buiten toepassing
dient te blijven, nu dat criterium voor zelfstandigen vaak - en ook in
haar geval - nadeliger uitwerkt dan het voor de overige verzekerden
geldende criterium (bruto-inkomen).
In het verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde onder meer
aangegeven dat bij de toetsing aan het kostwinnersvereiste de
inkomenspositie van appellante over een aantal aan het beoordelingsjaar
2000 voorafgaande jaren (mede) in ogenschouw is genomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd en heeft daarbij haar in eerste aanleg aangevoerde
gronden herhaald.
De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat zij wel voldoet
aan het op grond van de toepasselijke regelgeving voor haar geldende
kostwinnersvereiste. Hij overweegt in dat verband het volgende.
Met ingang van 2000 is de kring van personen die van rechtswege zijn
opgenomen in de werknemersverzekering ingevolge de Zfw, uitgebreid met
ondernemers voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale
ziektekostenverzekering tegen een aan hun draagkracht gerelateerde
premie is aangewezen. Daartoe is de verzekering ingevolge de Zfw
opengesteld voor zelfstandigen met een inkomen tot een grens die
materieel is afgestemd op de loongrens voor werknemers.
Indien is voldaan aan de uit de artikelen 3d en 4, tweede lid, van de
Zfw, in samenhang met artikel 6 van de Regeling, voortvloeiende
vereisten, zijn tevens de kinderen van zelfstandigen medeverzekerd. Dat
is het geval, indien het inkomen van de zelfstandige, zoals dat voor
zijn toegang tot de ziekenfondsverzekering door de Belastingdienst is
vastgesteld (het verzekeringsplichtige inkomen), onder de inkomensgrens
ligt en tevens voldoet aan het kostwinnersvereiste, dat wil zeggen: in
de regel ten minste de helft bedraagt van het totale inkomen van die
verzekerde en diens partner.
Ziekenfondsen hoeven bij de toetsing aan artikel 6 van de Regeling in
geval van zelfstandigen niet zelf (de diverse bestanddelen van) het
ondernemersinkomen na te gaan. Daarvoor kunnen zij blijkens artikel 6,
eerste lid, derde volzin, van de Regeling, bezien in samenhang met de
toelichting daarop, afgaan op het inkomen van de zelfstandige zoals dat
jaarlijks door de Belastingdienst over de toepasselijke referteperiode
bij de toetsing van de verzekering is vastgesteld.
Vervolgens moet het ziekenfonds - anders dan in de aangevallen uitspraak
is overwogen - ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de
Regeling nog wel beoordelen of dat inkomen van de zelfstandige “in de
regel” ten minste even hoog was als dat van de partner. Uit artikel 6,
eerste lid, derde volzin, van de Regeling vloeit immers niet voort dat
het “in de regel-criterium” niet van toepassing zou zijn op
zelfstandigen. Deze beoordeling dient plaats te vinden overeenkomstig de
bij de toepassing van het kostwinnersvereiste overigens bestendig
gebruikelijke praktijk, te weten aan de hand van de inkomensverhouding
zoals die tussen de partners heeft bestaan over een representatieve
meerjarige periode voorafgaande aan het beoordelingsjaar.
De Raad stelt vast dat gedaagde, gezien het uit de gedingstukken naar
voren komende beeld over de jaren vóór 2000, tot een juiste
inschatting is gekomen van de inkomensverhouding zoals deze tussen
appellante en [partner] in de regel heeft bestaan. Uit de aanwezige
gegevens, waaronder belastingaangiftes van appellante en [partner], valt
af te leiden dat appellante in 1996 nauwelijks inkomen had en dat haar
belastbare inkomen achtereenvolgens in 1997, in het tweede halfjaar van
1998 en in 1999 lager was dan het inkomen van [partner]. Slechts over
het (gehele) jaar 1998 was haar belastbare inkomen hoger dan het inkomen
van [partner].
Appellante voldeed derhalve niet aan het "in de regel-criterium" en
daarmee ook niet aan het kostwinnersvereiste.
De Raad kan appellante evenmin volgen in haar standpunt dat de
beoordeling van het kostwinnerschap van de zelfstandige niet zou mogen
plaatsvinden op basis van de in artikel 6 van de Regeling neergelegde
methode van inkomensbepaling. In dat verband overweegt de Raad het
volgende.
De regelgever hanteert bij de beoordeling van het kostwinnerschap van de
zelfstandige hetzelfde inkomensbegrip als bij de bepaling van de
verzekeringsplicht van de zelfstandige. Bij dit verzekeringsplichtige
inkomen gaat het om het belastbare inkomen, zoals dat door de
Belastingdienst over een referteperiode is vastgesteld. Uitgangspunt bij
die keuze van de regelgever is geweest dat deze wijze van beoordeling de
draagkracht van zelfstandigen het beste weergeeft, hetgeen recht doet
aan het aan de Regeling ten grondslag liggende draagkrachtbeginsel. Ter
toelichting op het gekozen systeem is aangegeven dat de beoordeling door
de uitvoeringsorganen van de (mede)verzekering eenvoudig dient te zijn
en gebaseerd op objectieve en betrouwbare gegevens, terwijl voorts door
het dempende effect van een referteperiode het aantal wisselingen tussen
de verplichte en de particuliere ziektekostenverzekering wordt beperkt.
Van strijdigheid van artikel 6, eerste lid, derde volzin, van de
Regeling - waarin de regelgever aldus voor de bepaling van het inkomen
bij de toepassing van het kostwinnersvereiste voor zelfstandigen
aansluiting heeft gezocht bij de voor hun toelating tot de verplichte
verzekering getroffen regeling - met een hogere regeling of enig
algemeen rechtsbeginsel, is de Raad niet gebleken. Mede gelet op hetgeen
hiervoor is overwogen omtrent de systematiek en het oogmerk van de
Regeling, kan niet worden gezegd dat zij in strijd is met de artikelen
3d en 4, tweede lid, van de Zfw en evenmin dat de regelgever van de hem
toegekende bevoegdheid tot het stellen van nadere regels niet in
redelijkheid gebruik heeft kunnen maken op de wijze zoals hij dat heeft
gedaan. Naar het oordeel van de Raad is voorts (bruto)loon uit
dienstbetrekking niet zodanig onvergelijkbaar met het belastbare inkomen
van de zelfstandige, dat dit verschil in het licht van de onderhavige
doelstelling van de Regeling tot een ongerechtvaardigde ongelijke
behandeling leidt. Dat voor zelfstandigen bij de bepaling van het
kostwinnerschap een in vergelijking tot werknemers afwijkend
inkomensbegrip wordt gehanteerd, leidt derhalve niet tot het oordeel dat
sprake is van - verboden - discriminatie.
Ten overvloede merkt de Raad nog op dat, anders dan gedaagde meent, bij
de toepassing van de Regeling over het in het geding zijnde
beoordelingsjaar niet bepalend is dat appellante, gezien de ontwikkeling
van haar inkomen, sinds 1998 niet (meer) tot de doelgroep behoort van de
ingevolge de Zfw te verzekeren zelfstandigen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met enige
verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.
Nu de ongegrondverklaring van het beroep in stand blijft, is een
veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding niet aan de orde, zodat
het daartoe strekkende verzoek van appellante moet worden afgewezen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I.
’t Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
november 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|