|
Uitspraak
03/171 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gevestigd te
Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Roermond van 12 december 2002, reg.nr. 02/567 ZFW K1. Namens
appellante heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, de gronden
van het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft mr. Hendriks, voornoemd, nog enige stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 september 2004, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hendriks, drs.
N.J.G.B. Wolter, verzekeringsarts, en professor dr. J.M.J.P. van der
Linden, reumatoloog bij het Academisch ziekenhuis Maastricht en
hoogleraar reumatologie aan de Universiteit van Maastricht. Gedaagde
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J.H. Dams-van der Heijden,
werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante, die lijdt aan ‘Morbus Bechterew’, heeft gedaagde op 20
juni 2001 verzocht om de kosten van een behandeling in Oostenrijk te
vergoeden. Het betreft specifiek deelname aan een kuurprogramma in het
KurZentrum Bad Hofgastein in samenwerking met de Heilstollen (oude
mijnschachten waarin zich een lage concentratie radon bevindt).
Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij twee jaar daarvoor had
deelgenomen aan een wetenschappelijk onderzoek onder leiding van
professor Van der Linden naar het effect van genoemd kuurprogramma dat
specifiek gericht is op patiënten met ‘Morbus Bechterew’.
Bij besluit van 16 juli 2001 heeft gedaagde afwijzend op de aanvraag
beslist. Bij het in geding zijnde besluit op bezwaar van 11 april 2002
heeft gedaagde de afwijzing gehandhaafd. Dit besluit berust op het
standpunt dat kuurbehandeling geen verstrekking is ingevolge de
Ziekenfondswet (Zfw) en dat om die reden ook artikel 22 van de
Verordening EEG 1408/71 appellante niet kan baten.
Dit standpunt is onderschreven door het College voor zorgverzekeringen
in het advies van 5 april 2002. Daarbij is onder meer gewezen op de
uitspraak van de Commissie voor beroepszaken van de voormalige
Ziekenfondsraad van 21 juli 1988, nr. 260-2832, gepubliceerd in RZA
1988, 153, waarin is overwogen dat behandeling in een kuuroord geen
verstrekking is ingevolge de Zfw alsmede op jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep van dezelfde strekking.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en heeft onder verwijzing naar artikel 8 van de Zfw en artikel
23 van het Verstrekkingenbesluit (Vb) aangegeven dat de behandeling in
het kuuroord en/of de Heilstollen niet valt te brengen onder het begrip
revalidatiezorg als omschreven in het Vb. Nu de Zfw en de daarop
berustende regelingen in beginsel een gesloten systeem van
verstrekkingen behelzen bestaat er volgens de rechtbank geen aanspraak
op andere verstrekkingen dan in die regelgeving is bepaald.
Appellante is van die uitspraak gemotiveerd in hoger beroep gekomen.
Namens appellante is primair betoogd dat de onderhavige behandeling wel
degelijk voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze dient te worden
aangemerkt als revalidatiezorg als bedoeld in artikel 23 van het Vb dan
wel in ieder geval gekwalificeerd dient te worden als
verstrekking als omschreven in het Vb. Subsidiair is vanwege appellante
betoogd dat sprake is van strijd met het gemeenschapsrecht.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging, voor
zover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Vb.
Naar de Raad onder meer in zijn uitspraak van 1 mei 2000, gepubliceerd
in USZ 2000, 176, heeft overwogen, is in de Zfw en het daarop gebaseerde
Vb een duidelijk omschreven en limitatief bedoeld stelsel van
verstrekkingen geregeld dat als zodanig geen ruimte biedt voor
vergoeding van de kosten van behandeling in een kuuroord. De Raad wijst
er op dat van opname en behandeling in een kuuroord in deze regelingen
geen melding wordt gemaakt.
In artikel 23 van het Vb is - voor zover hier van belang - bepaald dat
revalidatie onderzoek, behandeling en advisering omvat te verlenen door
een aan een instelling voor revalidatiezorg verbonden multidisciplinair
team van deskundigen, staande onder leiding van een specialist.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is
geworden dat het in geding zijnde kuurprogramma kan worden aangemerkt
als een vorm van revalidatie als bedoeld in dit artikel. De Raad wijst
er in dit verband op dat bij het onderhavige kuurprogramma geen sprake
is van onderzoek, behandeling en advisering door een aan het kuurcentrum
verbonden multidisciplinair team van deskundigen als in artikel 23 van
het Vb bedoeld, reeds niet omdat niet is gebleken dat de
gedragswetenschappelijke component deel heeft uitgemaakt van het
kuurprogramma. Voorts wijst de Raad er op dat voor appellante geen
individueel behandelplan is opgesteld.
Verder is de Raad van oordeel dat de onderhavige behandeling, mede gelet
op de inhoud van het door appellante ondergane kuurprogramma, niet kan
worden aangemerkt als al dan niet door of vanwege een ziekenhuis te
verlenen medisch-specialistische zorg als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, aanhef en onder a en c van de Zfw zoals die bepaling ten tijde in
geding luidde. Het programma in het kuuroord, waar verbleven wordt in
een hotel, bestaat immers hoofdzakelijk uit wandelen, gymnastiek, baden
sport(therapie) en het rusten in de Heilstollen. Dat het kuuroord (en/of
de Heilstollen) in Oostenrijk de status van “Krankenanstalt” heeft
kan aan het voorgaande niet afdoen.
Naar in het vorenstaande ligt besloten is de Raad, evenals gedaagde en
de rechtbank, van oordeel dat de onderhavige kuurbehandeling niet als
een verstrekking als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens de Zfw kan
worden aangemerkt en derhalve evenmin als een vorm van wettelijke
prestaties van het woonland van appellante als bedoeld in artikel 22,
tweede lid, tweede volzin van de EG-verordening 1408/71.
Ten aanzien van appellantes beroep op de artikelen 59 en 60 EG-verdrag
(thans: 49 en 50 EG) merkt de Raad op dat - voor zover in casu sprake
zou zijn van extramurale zorg - hij met betrekking tot dergelijke zorg
heeft overwogen (CRvB 18 juni 2004, LJN AP4742) dat uit het arrest van
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 mei 2003, Müller-Fauré en Van Riet, C-385/99, LJN AF8650,
voortvloeit dat die artikelen eraan in de weg staan dat het ziekenfonds
het toestemmingsvereiste van artikel 9, vierde lid, Zfw mag tegenwerpen,
maar dat behandelingen alleen voor vergoeding in aanmerking komen
voorzover het daarbij gaat om verstrekkingen als bedoeld in het Vb.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde terecht afwijzend op de aanvraag
van appellante heeft beslist.
Hieruit vloeit tevens voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|