|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/1964 ZFW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Tilburg, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 17 december 2003 met toepassing van artikel 8:54 van
de Awb heeft de Raad het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de
uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 maart 2003, reg.nr.
AWB 02/1025, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 8 juni
2004, waar partijen - wat geopposeerde betreft met voorafgaand bericht -
niet zijn verschenen.
De Raad heeft het onderzoek heropend.
Het verzet is ter nadere behandeling aan de orde gesteld ter zitting van
12 oktober 2004, waar partijen - wat geopposeerde betreft met
voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 17 december 2003 berust hierop, dat het bij
het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de
Beroepswet verschuldigde griffierecht van 87,-- niet binnen de bij
de brief van 27 mei 2003 - uiteindelijk - gestelde termijn van acht
weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim
is geweest.
In het kader van de verzetprocedure is komen vast te staan dat de brief
van 27 mei 2003, waarvan opposant de ontvangst heeft betwist, niet
aangetekend is verzonden.
Om die reden dient het verzet gegrond te worden verklaard.
Dit betekent dat uitspraak van de Raad van 17 december 2003 vervalt en
dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Met het oog daarop overweegt de Raad, mede gelet op hetgeen opposant in
hoger beroep en in verzet in dit verband overigens heeft aangevoerd, nog
het volgende.
Opposant heeft verzocht om kwijtschelding dan wel vermindering van het
wettelijk verschuldigde griffierecht, althans om in de gelegenheid te
worden gesteld het griffierecht in termijnen te betalen. Hij heeft
daartoe gewezen op zijn financiλle en andere persoonlijke
omstandigheden.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient, mede gelet op het in
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de
Mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op toegang tot de
rechter, in gevallen - zoals het onderhavige - waarin de betrokkene zich
binnen de (oorspronkelijk) voor de betaling van het griffierecht
gestelde termijn beroept op betalingsonmacht, betrokkene enig uitstel
voor de verplichting tot betaling te worden verleend. Een termijn van
acht weken acht de Raad daartoe in het algemeen toereikend. Op grond van
de door opposant in het geding gebrachte stukken, waaronder een
uitkeringsspecificatie en enkele bankafschriften, kan niet worden
aangenomen dat opposant niet in staat zou zijn binnen die - opnieuw te
stellen - termijn een bedrag van 87,-- te betalen. Opposant zal dan
ook, bij aangetekend te verzenden brief, door de griffier worden
uitgenodigd het verschuldigde griffierecht van 87,-- binnen acht
weken na de dag van verzending van die brief te voldoen. Opposant dient
er rekening mee te houden dat, indien hij in gebreke blijft, het hoger
beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Van door opposant in het kader van de verzetprocedure gemaakte
proceskosten is de Raad ten slotte niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. drs.Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23
november 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|