|
Uitspraak
02/1997 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Onderlinge Waarborgmaatschappij AZIVO Algemeen Ziekenfonds “De
Volharding” U.A., appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J. Ekelmans, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 27 februari 2001, reg.nr. 00/12151 ZFW.
Namens gedaagde heeft mr. J.H. Pelle, advocaat te ’s-Gravenhage een
verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 23 juni 2003, 30 juni 2003 en 2 september 2003 hebben
partijen op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt. Op 1
oktober 2003 heeft appellante schriftelijk gereageerd op de door
gedaagde toegezonden informatie.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 december 2003, waar
appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Ekelmans en dr.
H.P.M. van Dam, medisch adviseur van appellante, en waar gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.A.C. van Kempen,
kantoorgenoot van mr. Pelle.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 8 maart 2004 heeft het College voor zorgverzekeringen een
aantal vragen van de Raad beantwoord.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad vervolgens bij brief
van 14 april 2004 drs. W.C.G. Blanken, revalidatiearts te
Driebergen-Rijsenburg als deskundige benoemd voor het instellen van een
onderzoek. Deze deskundige heeft onder dagtekening 16 juli 2004 over dat
onderzoek een rapport uitgebracht.
Gedaagde heeft schriftelijk een reactie op dit rapport ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 17 november 2004, waar
appellante zich wederom heeft laten vertegenwoordigen door mr. Ekelmans
en dr. H.P.M. van Dam, en waar gedaagde in persoon is verschenen,
bijgestaan door mr. Pelle.
II. MOTIVERING
Namens appellante heeft R.E.F. Huygen, plastisch chirurg te
’s-Gravenhage, bij aanvraag van april 2000 verzocht om toestemming te
verlenen voor een plastisch chirurgische ingreep, bestaande uit het
verwijderen van twee borstprotheses, capsulectomie en eventueel het
inbrengen van nieuwe borstprotheses. De verwijdering van de oude
borstprotheses was medisch noodzakelijk in verband met toenemende
pijnklachten ten gevolge van kapselvorming.
Bij het primaire besluit van 11 mei 2000 heeft appellante dit verzoek
van april 2000 afgewezen voorzover het betrekking had op het inbrengen
van nieuwe borstprotheses, en voor het overige toestemming verleend.
Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) heeft op 13 november 2000
schriftelijk advies uitgebracht.
Gedaagdes bezwaar tegen de in het primaire besluit neergelegde weigering
om toestemming te verlenen voor het aanbrengen van nieuwe borstprotheses
is door appellante bij het bestreden besluit van 22 november 2000
ongegrond verklaard. Daarbij is - overeenkomstig het advies van het CVZ
- onder meer overwogen dat het niet aannemelijk is dat er bij gedaagde
na verwijdering van de aanwezige protheses sprake zal zijn van een
verminking of van afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met
aantoonbare functiestoornissen, zoals bedoeld in artikel 2 van de
Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet (hierna: de
Regeling). Daarbij heeft appellante er met een beroep op artikel 2 van
het Verstrekkingenbesluit (hierna: Vb) op gewezen dat in het dagelijks
leven de borsten goed zijn te camoufleren met kleding.
In beroep heeft gedaagde onder meer betoogd dat zij na de verwijdering
van de oude protheses is verminkt, omdat twee “gelittekende zakjes”
resteren. Voorts heeft zij benadrukt dat zij nimmer door de medisch
adviseur is gezien en dat zij meerdere malen aan appellante kenbaar
heeft gemaakt dat zij door de medisch adviseur onderzocht wilde worden.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij de aangevallen uitspraak - met
bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden
besluit vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen
met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank
is van oordeel dat appellante de vraag of er sprake zal zijn van een
verminking onvoldoende heeft onderzocht.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Volgens appellante kwalificeert het resultaat van een operatie ter
verwijdering van borstprotheses, ongeacht de uitkomst daarvan, nimmer
als een verminking. Appellante acht zich dan ook niet gehouden tot meer
onderzoek dan zij heeft verricht. Verwezen wordt naar de brief d.d. 8
maart 2004 van het CVZ, waarin staat vermeld dat er na
protheseverwijdering in het algemeen nog steeds sprake zal zijn van een
- gezien de gebruikelijke variatiebreedte en bij voortschrijdende
leeftijd passende vormveranderingen - normaal te achten borstvorm die op
andere wijze goed te camoufleren is en dat slechts indien bij het
verwijderen van de borstprothese zoveel ander materiaal zal moeten
worden verwijderd, dat er een situatie ontstaat als bij een (partiële)
mamma-amputatie, implantatie van een nieuwe borstprothese of een andere
vorm van plastisch-chirurgische reconstructie aangewezen kan zijn als
vervolgoperatie. Daarnaast acht appellante de gevraagde verstrekking
niet doelmatig, omdat de afwijkingen kunnen worden gecamoufleerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2 van het Vb, zoals dat luidde tot 1 juli 2001, kan de
aanspraak op een verstrekking slechts tot gelding worden gebracht
voorzover de verzekerde gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van
doelmatige zorgverlening redelijkerwijs daarop naar aard, inhoud en
omvang is aangewezen.
Ingevolge artikel 2 van de Regeling, zoals die bepaling ten tijde hier
in geding luidde, bestaat op behandeling van plastisch-chirurgische aard
onder meer aanspraak indien de behandeling strekt tot correctie van
verminkingen die het gevolg zijn van een ziekte, ongeval of
geneeskundige verrichting. Onder ‘verminking’ moet worden verstaan
een ernstige misvorming van een lichaamsdeel.
De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat de verwijdering
van borstprotheses nimmer tot een verminking in de zin van de Regeling
kan leiden. Niet uit te sluiten is immers dat in enkele gevallen het
resultaat van de borst(en) na verwijdering van oude protheses zodanig
is, dat dit wel als een verminking (in de zin van de Regeling) van de
borst moet worden beschouwd. Het is dan ook aan appellante om bij elke
aanvraag te onderzoeken of een zodanige situatie aan de orde is. De Raad
stelt vast dat bedoeld onderzoek door (de medisch adviseur van)
appellante niet is verricht.
Teneinde te kunnen beoordelen of in het onderhavige geval sprake was van
een (dreigende) verminking, heeft de Raad de deskundige Blanken gevraagd
of ten tijde in geding redelijkerwijs te verwachten was dat verwijdering
van de toen nog bij gedaagde aanwezige borstprotheses zou leiden tot een
verminking in de zin van de Regeling. De deskundige heeft deze vraag,
afgaande op de in het dossier aanwezige informatie en de door gedaagde
en de aanvragend plastisch chirurg gegeven inlichtingen, bevestigend
beantwoord. Op de onderbouwing van deze door Blanken getrokken conclusie
heeft appellante ter zitting kritiek geuit.
De Raad ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat
de deskundige van een onjuist begrip ‘verminking’ is uitgegaan. In
de vraagstelling aan de deskundige is dit begrip nadrukkelijk onder de
aandacht gebracht en expliciet omschreven en daarbij is tevens een
passage uit de toelichting op artikel 2 van de Regeling vermeld.
Voorzover na de rapportage van Blanken, die het resultaat van de
protheseverwijdering niet meer zelf heeft kunnen onderzoeken omdat
gedaagde uiteindelijk - drie jaar na de aanvraag - nieuwe protheses
heeft laten implanteren, nog onduidelijkheid bestaat over het antwoord
op de door hem bevestigend beantwoorde vraag, behoort deze
onduidelijkheid naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval
niet ten nadele van gedaagde uit te vallen, omdat appellante zelf heeft
bijgedragen aan die onduidelijkheid. Gedaagde heeft immers herhaaldelijk
aan appellante verzocht om een onderzoek door de medisch adviseur van
appellante en zij heeft appellante ook uitdrukkelijk de gelegenheid
gegeven vóór het plaatsen van de nieuwe borstprotheses in april 2003
het resultaat van de verwijdering van de oude protheses en de gevormde
kapsels te onderzoeken, maar van de zijde van appellante is dit
stelselmatig geweigerd. Gelet op de ter beschikking staande gegevens zal
de Raad het er in het onderhavige geval in het spoor van het advies van
de door hem geraadpleegde onafhankelijke deskundige en bij gebrek aan
andersluidende informatie dan ook voor houden dat ten tijde in geding
redelijkerwijs te verwachten was dat verwijdering van de toen nog bij
gedaagde aanwezige borstprotheses zou leiden tot een verminking in de
zin van de Regeling.
Appellante acht de verminking te camoufleren en voelt zich daarin
gesteund door de deskundige Blanken. Blijkens ter zitting van de Raad
gedane mededelingen van de medisch adviseur stelt appellante bij een
(partiële) borstamputatie in verband met borstkanker niet de eis, dat
de verminking niet op andere wijze gecamoufleerd kan worden. Dit strookt
ook met de door appellante gevolgde richtlijn van de vereniging van
adviserend geneeskundigen VAGZ. Mede gelet op de hiervoor vermelde, op
de wijze van totstandkoming van het bestreden besluit betrekking
hebbende omstandigheden heeft appellante de Raad er evenwel niet van
kunnen overtuigen, waarom in het onderhavige geval van aanwezig geachte
verminking van de borst - hetgeen per definitie een ernstige misvorming
inhoudt - het camouflagevereiste wel wordt tegengeworpen, en in de
andere hiervoor genoemde gevallen niet. Dit betekent dat het bestreden
besluit ondeugdelijk gemotiveerd is en - terecht, zij het op een andere
grond - door de rechtbank is vernietigd.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) appellante te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,--
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellante een
nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellante in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
groot € 1.127,--;
Bepaalt dat van appellante een recht van € 409,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|