|
Uitspraak
01/6311 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie voor de bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.W. Rauh, advocaat te Hoensbroek, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7
november 2001, reg.nr. 00/1581 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 maart 2003, waar appellante
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Rauh, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.T.K. van Alebeek, werkzaam
bij de Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep, Ziekenfonds (hierna:
de Stichting).
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad dr. M.M. Hoogbergen,
plastisch chirurg in het Catharinaziekenhuis te Eindhoven, als
deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige
heeft op 20 november 2003 over dat onderzoek een rapport uitgebracht.
Partijen hebben bij brieven van 6 januari 2004, 16 januari 2004 en 19
februari 2004 gereageerd op dit rapport en op de over en weer naar
aanleiding van dit rapport nader ingenomen stellingen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17
november 2004, waar - met voorafgaande kennisgeving - partijen niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten, de door
partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, en de toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad naar rubriek 2 van de aangevallen
uitspraak. De door de rechtbank weergegeven feiten zijn niet door
partijen betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn
beoordeling.
Bij het bestreden besluit van 6 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar
tegen de weigering van de Stichting om aan appellante toestemming te
verlenen voor een mamma-augmentatie in combinatie met een
littekencorrectie ongegrond verklaard. Dit is overeenkomstig het advies
van 31 oktober 2000 van het College voor zorgverzekeringen.
Het is de Raad ambtshalve - gelet op de zaken 00/4350 ZFW en 00/554 ZFW
- bekend dat het bestreden besluit is genomen door de Commissie voor de
bezwaarschriften van de Stichting en dat deze commissie haar bevoegdheid
om op bezwaren als bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) te beslissen meent te ontlenen aan het Reglement
bezwaarschriftenprocedure CZ van de Stichting. In dit Reglement wordt de
bevoegdheid tot het nemen van een besluit op bezwaar overgedragen aan
een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan namens hetwelk het
primaire besluit is genomen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB
25 maart 1997, AB 1997, 182) voorziet de bezwaarprocedure van de Awb
niet in een dergelijke delegatie van beslisbevoegdheid. De bevoegdheid
tot bedoelde delegatie behoeft een uitdrukkelijke tot afwijking van de
Awb strekkende grondslag in een wet in formele zin, niet zijnde de Awb.
Nu in het onderhavige geval een wettelijke grondslag daartoe ontbreekt
stelt de Raad vast dat het bestreden besluit door gedaagde onbevoegd is
genomen, zodat dit om die reden dient te worden vernietigd.
Met betrekking tot de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit in stand kunnen worden gelaten komt de Raad tot de volgende
beoordeling.
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of gedaagde bij het
bestreden besluit terecht heeft geweigerd toestemming te verlenen aan
appellante voor een plastisch chirurgische correctie van beide mammae.
Het geschil heeft zich in de loop van de procedure toegespitst op de
vraag of deze weigering terecht is gebaseerd op het standpunt van
gedaagde dat er bij appellante geen sprake is van verminking als bedoeld
in artikel 2 van het Besluit ziekenhuisverpleging ziekenfondsverzekering
(hierna: het Besluit).
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Daarbij heeft zij onder verwijzing naar de
totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit overwogen dat de gevolgen
van de eerdere operaties niet zodanig zijn, dat gesproken kan worden van
verminking als gevolg van een geneeskundige verrichting.
Teneinde te kunnen beoordelen of in het onderhavige geval sprake was van
een verminking, heeft de Raad de deskundige Hoogbergen gevraagd of bij
appellante ten tijde in geding sprake was van een zodanige afwijking aan
de borsten dat deze moeten worden aangemerkt als verminking in de zin
van een ernstige misvorming van een lichaamsdeel. De deskundige heeft
deze vraag bevestigend beantwoord en daarbij tevens aangegeven dat de
verminking van beide borsten alleen door middel van een externe prothese
gecamoufleerd kan worden, zij het dat daar onder meer medische bezwaren
tegen bestaan. De Raad ziet in de gedingstukken, waaronder de
bevindingen van externe geneeskundigen zoals H.P. Deurenberg,
onvoldoende aanknopingspunten om het - ook met de zojuist bedoelde
bevindingen overeenstemmende, consistent onderbouwde - oordeel van de
onafhankelijke door de Raad ingeschakelde deskundige niet te volgen. De
deskundige is specifiek op de definitie van verminking gewezen en is tot
zijn conclusie gekomen na kennisneming van het dossier en uitgebreid
onderzoek van appellante.
De Raad ziet dan ook geen grond om de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit in stand te laten.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep alsnog gegrond wordt
verklaard.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb de
Stichting te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.610,-- voor
verleende rechtsbijstand en € 34,40 aan reiskosten. Met betrekking tot
de in hoger beroep gevorderde kosten van het uitgebrachte rapport van H.P.
Deurenberg is de Raad van oordeel dat deze vordering op grond van
artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, zoals dit artikel luidde voor 12
maart 2002, niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze kosten
zijn gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar en niet in
verband met de behandeling van het beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de Stichting een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Stichting in de proceskosten van appellante tot een
bedrag van € 1.644,40, te betalen door de Stichting aan de griffier
van de Raad.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|