|
Uitspraak
02/2720 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
OWM Groene Land PWZ Zorgverzekeraar U.A., gevestigd te Zwolle,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen
van 16 april 2002, reg.nr. 01/450 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 5 november
2003 vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 februari 2004, waar
appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door R.W. Bestebreurtje,
werkzaam bij appellant, en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen,
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.Y. van der Pol, werkzaam
bij Rechtshulp Noord te Assen.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Hij heeft daarbij
bepaald dat een deskundige benoemd dient te worden voor het instellen
van een medisch onderzoek.
De door de Raad benoemde deskundige drs. W.C.G. Blanken,
revalidatiearts, heeft op 24 september 2004 een schriftelijk verslag
uitgebracht.
Appellant en gedaagde hebben bij brieven van 13 oktober 2004
respectievelijk 16 november 2004 gereageerd op het rapport van drs.
Blanken.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 17 november
2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.
Kreeft, werkzaam bij appellant, en waar gedaagde - met voorafgaand
bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft op 22 mei 2000 bij appellant een aanvraag om vergoeding
van een borstverkleinende operatie ingediend. Bij die aanvraag is
gevoegd een brief van 8 mei 2000 van de plastisch chirurg dr. B. van der Lei, waarin melding
gemaakt wordt van psychische klachten. Van der Lei geeft tevens aan dat
hij zich kan voorstellen dat gedaagde een aspectverbetering van de
borsten wenst middels een borstverkleinende procedure, waarbij een klein
beetje borstweefsel wordt verwijderd en met name een lift effect wordt
verkregen.
Bij primair besluit van 30 mei 2000 heeft appellant de aanvraag
overeenkomstig het advies van haar medisch adviseur afgewezen.
Gedaagde heeft tegen genoemd besluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij
aangegeven dat haar leven wordt beperkt door haar klachten en dat de
operatie volgens haar behandelend fysiotherapeut een belangrijke
verbetering zou kunnen geven van haar ernstige nek- en bovenrug
pijnklachten. Als bijlage is bijgevoegd een brief van gedaagdes huisarts
S.T. Ganzinga van 13 juni 2000 die aangeeft: ’’mijn diagnose is:
correctie op grond van psychiatrisch verleden’’.
Hangende bezwaar is door gedaagde een brief van 15 september 2000 van de
huisarts Ganzinga ingezonden waarin is aangegeven dat hij in zijn brief
van 13 juni 2000 onvermeld heeft gelaten dat gedaagde tevens schouder-
en nekklachten heeft en dat een borstverkleinende operatie haar
lichaamshouding en de belasting van haar nek- en schoudergordel ten
goede zal komen.
Het tegen het primair besluit gemaakte bezwaar is door appellant bij het
bestreden besluit van 27 maart 2001, in overeenstemming met het advies
van het College voor zorgverzekeringen van 16 maart 2001, ongegrond
verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat, gelet op de
bevindingen van de medisch adviseur en de plastisch chirurg Van der Lei,
niet aannemelijk is dat de zwaarte van de borsten de oorzaak is van de
nek-, schouder- en rugpijnklachten, zodat geen sprake is van afwijkingen
in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen als
bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling
medisch-specialistische hulp Ziekenfondswet (hierna: de Regeling).
Bij de aangevallen uitspraak is - met een bepaling omtrent het
griffierecht - het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw
besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de
uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat gelet
op de rapportages van de op verzoek van de door rechtbank ingeschakelde
deskundige P.C.Th. van Aanholt, revalidatiearts, voldoende vast staat
dat aanspraak bestaat op vergoeding van de borstverkleinende operatie,
nu er gesproken kan worden van afwijkingen in het uiterlijk die gepaard
gaan met aantoonbare lichamelijke functiestoornissen.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd en heeft - kort gezegd - betoogd dat, gehoord haar
medisch adviseur, geen sprake is van afwijkingen die gepaard gaan met
aantoonbare lichamelijke functiestoornissen als bedoeld in artikel 2,
aanhef en onder a, van de Regeling.
In hoger beroep is dus aan de orde of bij het bestreden besluit terecht
is geweigerd gedaagde in aanmerking te brengen voor vergoeding van een
borstverkleinende operatie omdat er geen sprake is van lichamelijke
functiestoornissen.
Ter beantwoording van deze vraag heeft de Raad zich laten voorlichten
door de in rubriek I genoemde deskundige drs. W.C.G. Blanken. Deze heeft
kennis genomen van de gedingstukken en heeft gedaagde onderzocht. Op grond van zijn
onderzoeksbevindingen is hij tot de conclusie gekomen dat bij gedaagde
ten tijde in geding wel een zodanige afwijking aanwezig is dat daardoor
lichamelijke functiestoornissen (pijnklachten in nek en schoudergordel)
kunnen optreden. Volgens Blanken houden de klachten voor een belangrijk
deel verband met fibromyalgie en worden ze niet veroorzaakt door de
grote borsten. Het klachtenbeeld is a-specifiek (klachten zijn ’s
ochtends niet aanwezig en treden pas in de loop van de dag op) en de
klachten van gedaagde kunnen worden verholpen of verminderd door het
dragen van onder andere een goed steunende bh.
De Raad is gezien dit rapport van oordeel dat het standpunt van
appellant, voor zover inhoudend dat bij gedaagde ten tijde in geding
geen sprake was van aantoonbare functiestoornissen, voldoende steun
vindt in de hierop betrekking hebbende bevindingen en de conclusie van
de onafhankelijke deskundige. Daarbij merkt de Raad nog op dat blijkens
de oorspronkelijke toelichting van de plastisch chirurg Van der Lei van
8 mei 2000 en de huisarts Ganzinga van 13 juni 2000 als reden van de
aanvraag uitsluitend de psychische problematiek was genoemd. Voorts
heeft Van der Lei aangegeven dat bij de borstverkleinende operatie
’een klein beetje borstweefsel’ wordt verwijderd, zodat het de Raad
niet aannemelijk voorkomt dat daardoor de lichamelijke
functiestoornissen bij gedaagde verholpen of verminderd kunnen worden.
Het vorenoverwogene mede in aanmerking genomen leidt het rapport van de
door de rechtbank ingeschakelde deskundige Van Aanholt de Raad niet tot
een ander oordeel. De Raad constateert, anders dan de rechtbank, dat uit
de bevindingen van Van Aanholt niet kan worden afgeleid dat sprake is
van een functiestoornis als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a,
van de Regeling. Van Aanholt kon niet met zekerheid zeggen dat een
borstverkleinende operatie de schouder- nek, en rugklachten zullen
verminderen; hij acht een borstverkleinende operatie nodig in het kader
van een behandeling van het chronisch pijnsyndroom. In zijn visie is
voor een succesvolle revalidatie vereist dat alle vanuit therapeutisch
oogpunt gewenste behandelingen - waaronder de borstverkleinende operatie
-
uitgeput zijn. Daarbij heeft hij meegewogen dat diverse behandelaars van
gedaagde haar gesuggereerd hebben dat een oplossing kan worden gevonden
in een borstverkleinende operatie.
De Raad overweegt hieromtrent dat een op dergelijke overwegingen
gebaseerde opvatting over de kans op succes van een revalidatietraject
niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat wordt voldaan aan de in artikel
2, aanhef en onder a, van de Regeling neergelegde criteria.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen
uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking en het beroep dient
ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is dan ook geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van B.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B. Biever-van Leeuwen.
|
|