|
Uitspraak
01/3588 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de O.W.M. OZ Zorgverzekeringen U.A., gevestigd te Breda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Rotterdam van 21 mei 2001, reg.nr. Zfw 99/2025.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 november 2002, waar voor
appellante zijn verschenen [familielid 1] en [familielid 2] en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. G.M.A.M. Kersemaekers en drs. A. Veerman, beiden werkzaam bij
gedaagde.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad het onderzoek
heropend. Na de afronding van dit onderzoek heeft de Raad met
toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege
blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Appellante heeft in 1991 een niertransplantatie ondergaan. Ter
voorkoming van afstotingsverschijnselen is haar het geneesmiddel
Cyclosporine Sandimmune (hierna: Sandimmune) voorgeschreven. In 1997 is
haar, in de plaats van dat middel, het geneesmiddel Neoral
voorgeschreven. Vervolgens heeft zij klachten over hoofdpijn,
maagklachten en buikpijn ontwikkeld. Voor deze klachten is zij in
september 1997 onderzocht in het ziekenhuis. Een oorzaak voor de
klachten is daarbij niet gevonden. Omdat de klachten aanhielden is haar
in oktober 1998 weer Sandimmune voorgeschreven in plaats van Neoral. De
maag- en buikklachten zouden daarna zijn verdwenen. Appellante heeft de
Sandimmune betrokken van een apotheker in Straelen (Bondsrepubliek
Duitsland) en gedaagde gevraagd om vergoeding van de kosten ervan.
Bij brief van 27 oktober 1998 heeft gedaagde kennis gegeven van zijn
besluit om de kosten van Sandimmune niet te vergoeden. Appellante heeft
daartegen bezwaar gemaakt. Bij schrijven van 23 juli 1999 heeft de
Commissie Verstrekkingengeschillen van het College voor
Zorgverzekeringen advies uitgebracht. Gedaagde heeft het bezwaar van
appellante, overeenkomstig dit advies, bij besluit van 19 augustus 1999
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 19 augustus 1999 bij
uitspraak van 21 mei 2001 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of gedaagde
terecht heeft geweigerd de kosten van Sandimmune te vergoeden.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat Sandimmune niet voor vergoeding
in aanmerking komt omdat het ten tijde in geding niet meer is
geregistreerd als geneesmiddel, reden waarom het niet meer genoemd wordt
in de lijst van verstrekkingen opgenomen in bijlage I van de Regeling
farmaceutische hulp 1996 (hierna: de Regeling). Voorts is aangevoerd dat
bij niertransplantatie geen sprake is van een zeldzaam voorkomende
aandoening (prevalentie lager dan 1:200.000 inwoners), die de weg opent
om met toestemming van de hoofdinspecteur voor de volksgezondheid een in
Nederland niet geregistreerd geneesmiddel in te voeren vanuit het
buitenland. Het wel geregistreerde geneesmiddel Neoral bevat dezelfde
werkzame stof als Sandimmune en is daarmee volgens gedaagde
inwisselbaar. Uit de rapportage d.d. 6 februari 1998 van het onderzoek in september 1997 naar de klachten van
appellante blijkt volgens gedaagde geenszins van de door appellante
gestelde bijwerkingen van het middel Neoral.
Appellante heeft aangevoerd dat het middel Sandimmune haar door haar
internist is voorgeschreven in de plaats van Neoral, zulks, naar zij
stelt, in verband met de bijwerkingen van laatstgenoemd middel. Zij
betrekt het geneesmiddel van een apotheker in Duitsland. Verschillende
zorgverzekeraars hebben met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport afspraken gemaakt om patiënten in Duitsland te behandelen, in
welk geval het middel wel vergoed zou worden. Bovendien wordt de
Sandimmune door gedaagde wel vergoed wanneer zij in Spanje verblijft en
het middel daar betrekt. Appellante heeft zich met betrekking tot het
niet meer geregistreerd zijn van Sandimmune in Nederland beroepen op de
Europese gecentraliseerde registratieprocedure voor geneesmiddelen.
De Raad overweegt het volgende.
Artikel 8, eerste lid, van de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) bepaalt dat
verzekerden aanspraak hebben op verstrekkingen ter voorziening in hun
geneeskundige verzorging, voor zover met betrekking tot die verzorging
geen aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Zfw worden aard,
inhoud en omvang van de verstrekkingen bij algemene maatregel van
bestuur geregeld.
Artikel 2, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (hierna: Verstrekkingenbesluit), de op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw berustende algemene maatregel van bestuur,
bepaalt dat de verzekerden aanspraak hebben op de verstrekkingen
omschreven in onder meer artikel 9 van het Verstrekkingenbesluit.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het
Verstrekkingenbesluit bepaalt dat farmaceutische hulp omvat de
aflevering van de bij ministeriële regeling aangewezen geregistreerde
geneesmiddelen, alsmede andere dan geregistreerde geneesmiddelen die
op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening mogen worden
afgeleverd, niet zijnde geneesmiddelen als bedoeld in artikel 1 van het
Besluit homeopathische farmaceutische producten.
Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verstrekkingenbesluit
bepaalt dat onder geneesmiddel dient te worden verstaan: een
geneesmiddel dat op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening in
Nederland mag worden afgeleverd. Blijkens artikel 8, eerste lid, aanhef
en onder f, van het Verstrekkingenbesluit wordt onder geregistreerd
geneesmiddel verstaan een geneesmiddel dat is ingeschreven in het
register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening, of een geneesmiddel voor het in de handel
brengen waarvan de Gemeenschap een vergunning heeft afgegeven ingevolge
de Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 22 juli 1993 tot vaststelling van communautaire
procedures voor het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op
geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot
oprichting van een Europees bureau voor de geneesmiddelenvoorziening.
Op grond van artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, van het
Verstrekkingenbesluit omvat de farmaceutische hulp niet de aflevering
van geneesmiddelen bedoeld in de artikelen 54 en 55 van het Besluit
bereiding en aflevering van farmaceutische producten, tenzij het een
verzekerde betreft die lijdt aan een in Nederland zelden voorkomende
ziekte, te wiens behoeve het ziekenfonds vooraf toestemming heeft
verleend voor de aflevering van een geneesmiddel als bedoeld in artikel
54, eerste lid, onder d, van dat besluit.
Artikel 1 van de Regeling farmaceutische hulp 1996 (hierna: de Regeling)
bepaalt dat de farmaceutische hulp omvat de geregistreerde
geneesmiddelen genoemd in bijlage 1 van deze regeling. Sedert 1 januari
1997 wordt Sandimmune niet meer in deze bijlage genoemd.
Blijkens ’s Raads vaste jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak
van 28 september 2000, gepubliceerd in onder meer AB 2001/49, betreft het systeem van geneesmiddelenverstrekking ingevolge
de Zfw een exclusief en limitatief systeem van verstrekkingen. Het
dwingendrechtelijk karakter van de desbetreffende wettelijke
voorschriften behoort uitgangspunt te zijn voor het antwoord op de vraag
of in een concreet geval terecht een geneesmiddel aan een verzekerde is
geweigerd. Dit leidt alleen uitzondering indien op grond van bijzondere
omstandigheden gezegd moet worden dat de toepassing van deze
dwingendrechtelijke voorschriften in die mate in strijd komt met regels
van ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer
kan zijn.
In het vorenstaande ligt besloten dat appellante geen aanspraak op
(vergoeding van de kosten) van Sandimunne kan ontlenen aan het bepaalde
bij en krachtens de Zfw. De Raad wijst er op dat Sandimmune ten tijde in
geding niet voorkwam op de lijst van geneesmiddelen van Bijlage 1 van de
Regeling. Voorts is voor de Raad op grond van de stukken niet komen vast
te staan dat de aandoening van appellante een zelden voorkomende
aandoening is, waardoor de weg om via de toestemming van de
hoofdinspecteur voor de volksgezondheid tot vergoeding van Sandimmune te
geraken is afgesneden. Voor de Raad is ten slotte niet komen vast te
staan dat in de situatie van appellante sprake is geweest van zodanige
bijzondere omstandigheden dat een strikte toepassing van het
dwingendrechtelijke systeem van geneesmiddelenverstrekking geen
rechtsplicht meer kan zijn. Dat een levensbedreigende situatie voor
appellante ontstaat wanneer zij voor haar aandoening een geneesmiddel
gebruikt dat wel op de bijlage 1 voorkomt is gesteld noch gebleken.
Met betrekking tot de grief van appellante dat het bestreden besluit in
strijd komt met gemeenschapsrecht nu er een gecentraliseerde Europese
registratieprocedure bestaat en het middel Sandimmune wel vergoed wordt
bij verblijf van haar in een andere lidstaat, overweegt de Raad het
volgende.
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen (HvJEG) staat het elke lidstaat vrij de voorwaarden
waaronder het recht op, dan wel de verplichting tot aansluiting bij een
stelsel van sociale zekerheid ontstaat, alsmede de voorwaarden waaronder
een aanspraak op verstrekkingen bestaat, vast te stellen. Waar het gaat
om de verstrekking van geneesmiddelen kunnen de lidstaten deze
bevoegdheid blijkens artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 89/105 EEG betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter
regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik
en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg
onder meer uitoefenen door het opstellen van een positieve lijst van te
verstrekken geneesmiddelen. De criteria aan de hand waarvan wordt
besloten een geneesmiddel al dan niet in het verstrekkingenpakket op te
nemen dienen objectief, niet-discriminerend en vooraf kenbaar en
controleerbaar te zijn (HvJEG 7 februari 1984, Duphar, nr. 238/82, r.o.
20 t/m 22).
Op grond van artikel 9, eerste lid, van het Verstrekkingenbesluit kan de
aanspraak op farmaceutische hulp slechts geregistreerde geneesmiddelen
omvatten. Naar het oordeel van de Raad is dit een objectief, kenbaar,
niet-discriminerend en controleerbaar criterium. De Raad wijst hierbij
op het feit dat er ook in artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn 89/105
EEG van wordt uitgegaan dat slechts geneesmiddelen voor het in de handel
brengen waarvan een vergunning is afgegeven worden opgenomen in de
nationale stelsels van gezondheidszorg. Nu, blijkens een onweersproken
mededeling van gedaagde, de registratie van Sandimmune in Nederland op
initiatief van de producent is beëindigd, is er voorts geen enkele
aanwijzing dat deze beëindiging het gevolg is van de hantering van een
verboden criterium, zoals een onderscheid van de oorsprong van het
middel.
De Raad begrijpt de verwijzing van appellante naar een Europese
gecentraliseerde registratieprocedure aldus dat volgens appellante een
farmaceutisch product voor het in de handel brengen waarvan in een
andere lidstaat een vergunning is afgegeven, voor de toepassing van
artikel 9, eerste lid, onder a van het Verstrekkingenbesluit als
geregistreerd middel heeft te gelden. De Raad kan appellante hierin niet
volgen. Hoewel de Tweede Richtlijn 75/319 EEG betreffende de aanpassing
van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake
farmaceutische specialiteiten voorziet in belangrijke procedurele
vereenvoudigingen en in een vergaande mate van samenwerking tussen de
lidstaten bij het afgeven van vergunningen tot het in de handel brengen
van geneesmiddelen onder coördinatie van het Comité voor
farmaceutische specialiteiten, is er niet voorzien in een stelsel van
automatische wederzijdse erkenning van afgegeven vergunningen. Blijkens
artikel 11, derde lid, van deze richtlijn besluit elke afzonderlijke
lidstaat uiteindelijk inzake de afgifte van een vergunning tot
verhandeling van een geneesmiddel op het eigen grondgebied. Dit is
slechts anders in geval van geneesmiddelen met betrekking waartoe een in
alle lidstaten geldende vergunning is aangevraagd met toepassing van
Verordening 2309/93 tot vaststelling van communautaire procedures voor
het verlenen van vergunningen voor en het toezicht op geneesmiddelen
voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een
Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling. Gelet op het
bovenstaande is de definitie van de term “geregistreerd
geneesmiddel”, zoals opgenomen in artikel 8, eerste lid, onder f, van
het Verstrekkingenbesluit in overeenstemming met het gemeenschapsrecht.
Nu niet is gebleken dat voor de verhandeling van Sandimmune een in alle
lidstaten geldende vergunning is afgegeven als bedoeld in artikel 12 van
Verordening nr. 2309/93 kan dit middel niet worden beschouwd als een
“geregistreerd geneesmiddel”, zoals bedoeld in artikel 9 van het
Verstrekkingenbesluit.
Ook het feit dat appellante bij verblijf in een andere lidstaat in
bepaalde situaties wel aanspraak zou kunnen maken op de verstrekking van
Sandimmune leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit in
strijd is met het gemeenschapsrecht. De Raad wijst erop dat appellante
bij een dergelijk verblijf op grond van artikel 22, eerste lid, onder c,
dan wel artikel 31 van de Verordening EG nr. 1408/71 onder bepaalde
voorwaarden aanspraak zou kunnen maken op verstrekkingen zoals voorzien
in de wetgeving van het land van verblijf. Het verschil in behandeling
al naar gelang de lidstaat van verblijf is derhalve niet een gevolg van
het bepaalde bij en krachtens de Zfw, maar van de bijzondere
toewijzingsregels in EG-verordening 108/71 in combinatie met verschillen
tussen de diverse nationale sociale verzekeringsstelsels. Een dergelijk
verschil is, naar het HvJEG vele malen heeft overwogen, niet in strijd
met het gemeenschapsrecht nu artikel 42 van het EG-verdrag niet strekt
tot harmonisatie, maar slechts tot coördinatie van de nationale
stelsels.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat gedaagde terecht heeft geweigerd
om de kosten van Sandimmune te vergoeden. Dit betekent dat het hoger
beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van
Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|