|
Uitspraak
02/2490 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Commissie voor bezwaarschriften van de Stichting Centrale
Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. P.A.M.M. Dingemans, advocaat te Ulvenhout,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg
van 29 maart 2002, reg.nr. Awb 01/247, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Zowel appellant als gedaagde hebben nadere stukken ingezonden.
Het geding is gevoegd behandeld met de zaken, aanhangig onder
registratienummers 02/5190 Zfw en 02/6146 Zfw ter zitting van de Raad op
3 november 2004, waar voor appellant is verschenen, mr. P.A.M.M.
Dingemans, voornoemd, terwijl gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is
verschenen. Overeenkomstig de brief van gedaagde van 1 november 2004 is het standpunt van gedaagde met betrekking tot het
niet gebruikelijk zijn van de discusprothese toegelicht door R.W.
Bestebreurtje, juridisch medewerker, en drs. H. van Nes, medisch
adviseur, die namens OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A. respectievelijk
OWM Groene Land Zorgverzekeraar U.A. zijn verschenen in de gevoegd
behandelde zaken 02/5190 en 02/6146 Zfw.
In laatstgenoemde zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Appellant, die sedert 1996 rugklachten heeft en zich onder behandeling
heeft gesteld van een neuroloog, een revalidatiearts en orthopedische
chirurgen, heeft in juni 2000 in verband met (toenemende) rugklachten
drs. W.S. Zeegers, orthopedisch chirurg, destijds verbonden aan het
Maaslandziekenhuis in Sittard, geconsulteerd. In zijn brief van 23 juni 2000 heeft drs. Zeegers aangegeven dat afhankelijk van de
discografische bevindingen het plaatsen van een discusprothese een
zinvolle oplossing kan zijn voor het verhelpen van appellants
rugklachten.
Middels een ‘aanvraagformulier zorg in het buitenland’ van 30 juni
2000 heeft appellant gedaagde verzocht om vergoeding van de kosten van
het plaatsen van een discusprothese op niveau L4-L5 door drs. Zeegers,
voornoemd, in de Alpha Klinik te München (Duitsland). Genoemde aanvraag
is in verband met de medische onderbouwing mede ingevuld door de
huisarts van appellant, A. Joosse te Goes.
Op 4 augustus 2000 is bij appellant in de Alpha Klinik een
discusprothese geplaatst.
Bij besluit op bezwaar van 1 februari 2001 heeft gedaagde gehandhaafd
het namens de Stichting Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds (hierna: CZ)
genomen, besluit van 28 juli 2000, waarbij de aanvraag om vergoeding van
de kosten van het plaatsen van een discusprothese door drs. Zeegers is
afgewezen
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 februari 2001 bij
uitspraak van 29 maart 2002 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
Het bestreden besluit is op eigen naam genomen door de Commissie voor de
bezwaarschriften van CZ als bedoeld in het Reglement bezwaarschriften
procedure CZ.
Zoals de Raad reeds herhaaldelijk heeft overwogen (onder meer CRvB 25
maart 1997, A.B. 1997, 182 en CRvB 8 december 2004, registratienummer
01/6311 ZFW) voorziet de bezwaarschriftprocedure van de Awb niet in de
mogelijkheid van delegatie van de bevoegdheid tot het nemen van een
besluit op bezwaar aan een ander bestuursorgaan dan het orgaan namens
hetwelk het primaire besluit is genomen.
Hieruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het
beroep om deze reden gegrond dient te worden verklaard en het bestreden
besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.
De vervolgens aan de orde komende vraag of er gronden zijn om de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten,
beantwoordt de Raad bevestigend.
In hoger beroep spitst het geding zich toe op de vraag of gedaagde zich
terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aanbrengen van een
discusprothese niet kan worden aangemerkt als een behandeling die
behoort tot geneeskundige hulp die in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijk is.
Appellant stelt zich op het standpunt dat het aanbrengen van een
discusprothese als gebruikelijk in de zin van de van toepassing zijnde
regelgeving moet worden aangemerkt. Daarbij heeft naar zijn mening te
gelden dat de gebruikelijkheid van die behandeling wordt bepaald aan de
hand van de maatstaven die het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: HvJEG) in zijn arrest van 12 juli 2001, reg.nr.
C-157/99 heeft geformuleerd. Daarvan uitgaande heeft appellant er op
gewezen dat deze behandeling door de orthopedisch chirurg drs. W.S.
Zeegers van 1989 tot 1 augustus 2000 is uitgevoerd in het
Maaslandziekenhuis te Sittard en aansluitend in de Alpha Klinik te
München.
In Nederland is de ingreep tot 1 augustus 2000 door
ziektekostenverzekeraars en ziekenfondsen vergoed onder de CTG-code voor
ventrale spondylodese. Sinds de tweede helft van 2002 wordt de
behandeling vergoed en uitgevoerd in ziekenhuizen in Zwolle en Alkmaar.
De discusprotheseoperatie wordt uitgevoerd in een aanzienlijk aantal
landen, daaronder begrepen België, Frankrijk, Italië, Zwitserland, het
Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Gesteld wordt dat wereldwijd
meer dan 7000 rugpatiënten op die manier zijn behandeld. Gewezen is op
diverse publicaties waarin de klinische ervaringen met deze behandeling
zijn beschreven. Voorts is aangevoerd dat de behandeling vergoed wordt
door Krankenkassen en andere ziektekostenverzekeraars in Duitsland, door
mutualiteiten in België en door Franse ziektekostenverzekeraars. De
Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA) heeft voor de Charité,
een bepaald type discusprothese, na onderzoeken in oktober 2004 een
veiligverklaring afgegeven. Appellant heeft benadrukt dat hij in
Nederland was uitbehandeld en dat de uitgevoerde operatie succesvol is
geweest.
Voorts is namens appellant in hoger beroep betoogd dat een duidelijk geïndiceerde
ingreep, zoals HNP-operatie of spondylodese, bepalend is voor de vraag
of sprake is van een verstrekking en dat de wijze van uitvoeren, en de
methodiek van de behandeling er in beginsel niet toe doet. Appellant
heeft tevens aangegeven dat de behandelingen middels het plaatsen van
een discusprothese nader ontwikkelde methodologische uitvoeringen
betreffen van erkende behandelingsvormen (HNP-operatie en spondylodese)
en derhalve als verstrekking in de zin van de Zfw gekwalificeerd dienen
te worden.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de discusprothese niet
gebruikelijk kan worden gevonden aangezien deze door de internationale
wetenschap onvoldoende is onderzocht. Met name ontbreken betrouwbare
onderzoeken over de effecten op lange termijn. Tot augustus 2000 heeft
vergoeding van de discusprothese plaats gevonden omdat indertijd niet
duidelijk was dat het om een andere behandeling ging dan een ventrale
spondylodese. Gedaagde baseert zijn standpunt onder meer op adviezen van
zijn medisch adviseurs, het advies van de Commissie
verstrekkingengeschillen van het College voor zorgverzekeringen van 8
juni 2001, een brief d.d. 13 oktober 2000 van dr. C.M.T. Plasmans, voorzitter van de Nederlandse Orthopaedische
Vereniging aan Zorgverzekeraars Nederland en een artikel van een aantal
orthopedisch chirurgen uit academische ziekenhuizen in het Nederlands
Tijdschrift voor Geneeskunde (NTG) van 31 augustus 2002 waarin de
resultaten van studies uit verschillende landen zijn geëvalueerd en
waarbij -onder meer in verband met de risico’s van
prothesegerelateerde complicaties op langere termijn en het ontbreken
van voldoende betrouwbare lange termijnresultaten in de literatuur - het
plaatsen van een discusprothese is aangemerkt als experimentele
chirurgie.
De Raad, zich beperkende tot het punt van geschil, overweegt het
volgende.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging,
voorzover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Blijkens artikel 12, onder 1, sub a van het
Vb juncto artikel 8, eerste lid, onder a van de Zfw wordt
medisch-specialistische zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis,
naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring van beroepsgenoten
gebruikelijk is.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij ministeriële
regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een
ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven zich voor het
geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een in
het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële regeling is
de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni
1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz luidt:
“Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een
verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland,
worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld
dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig
is”.
Uit eerdergenoemd arrest van het HvJEG van 12 juli 2001, reg.nr.
C-157/99, volgt dat in het kader van de vraag of een behandeling in de
kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is, beoordeeld dient te worden
of deze door de internationale wetenschap voldoende is beproefd en
deugdelijk bevonden. Bij die beoordeling dienen alle beschikbare
relevante gegevens in aanmerking te worden genomen, waaronder met name
literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van
specialisten, alsmede de vraag of de betrokken behandeling al dan niet
wordt gedekt door het stelsel van ziektekostenverzekering van de
lidstaat waarin de behandeling plaatsvindt.
De Raad is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot
het oordeel gekomen dat het implanteren van een discusprothese ten tijde
hier in geding, te weten het tijdvak van 30 juni 2000 tot 1 februari
2001, in de internationale wetenschap nog niet zodanig was beproefd en
deugdelijk bevonden dat deze behandeling als gebruikelijk in de zin van
de Zfw kon worden aangemerkt.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat:
- de in binnen- en buitenland gepubliceerde onderzoeken veelal tot de
conclusie komen dat nader onderzoek omtrent de effecten op langere termijn nodig
is; de Nederlandse Orthopedische Vereniging van mening is dat nader
onderzoek moet worden gedaan naar de lange termijneffecten en dat niet gebleken is
dat de ledenraad zich van de brief van zijn voorzitter van 13 oktober 2000
heeft gedistantieerd;
- gezaghebbende specialisten in Medisch Contact van 26 april 2002 een vergelijkend randomized controlled trial met typen van spondylodese
noodzakelijk hebben geacht teneinde de theoretische voordelen van de discusprothese met name ook wat betreft de
lange termijneffecten te
kunnen beoordelen;
- een aantal aan academische ziekenhuizen verbonden orthopedisch
chirurgen in NTG van 31 augustus 2002 het plaatsen van een discusprothese - onder
meer wegens het ontbreken van betrouwbare lange termijn resultaten in de
internationale literatuur - als experimentele chirurgie aanmerken;
- de orthopedisch chirurg drs. Zeegers zelf heeft erkend dat nog
onderzoek moet worden gedaan naar de effecten op langere termijn;
- ten tijde in geding niet is gebleken van gezaghebbende meningen van buitenlandse en
binnenlandse specialisten dat onderzoek naar de effecten
op langere termijn achterwege kan blijven;
- onderzoek in binnen- en buitenland omtrent de effecten op langere
termijn ten tijde in geding ontbreekt;
- eerst in het najaar van 2002 in ziekenhuizen te Zwolle en Alkmaar
onderzoek is begonnen naar de effecten op langere termijn;
- eerst in oktober 2004, dus na het tijdvak in geding, de resultaten van
de beoordeling door de FDA bekend zijn gemaakt.
Het feit dat de tot 2000 door drs. Zeegers in Nederland toegepaste
discusprothesebehandeling is vergoed door Nederlandse ziekenfondsen doet
aan het voorgaande evenmin af, reeds omdat de behandeling - zonder
medeweten van de ziekenfondsen - onder een andere aanduiding (ventrale
spondylodese) is gedeclareerd en als zodanig is vergoed.
Voorts kan de stelling dat het aanbrengen van een discusprothese wel zou
worden vergoed door - onder meer- de Krankenkassen in Duitsland, niet
tot het oordeel leiden dat deze behandeling in de internationale
medische wetenschap ten tijde in geding wel voldoende beproefd en
deugdelijk was bevonden. De Raad merkt in dit verband op dat geen
inzicht is verschaft in de beoordeling die tot de gestelde vergoeding
zou hebben geleid.
Voor de stelling van appellant dat het implanteren van een
discusprothese een nader ontwikkelde methodologische uitvoering betreft
van erkende behandelingsvormen van rugklachten (HNP-operatie of
spondylodese) en daarom als een - door de specialist en patiënt te
bepalen - uitvoering van de verstrekking HNP-operatie c.q.
spondylodese dient te worden beschouwd, ziet de Raad geen
aanknopinspunten in de relevante regelgeving. De discusprothese-ingreep,
die van andere aard is dan een herniaoperatie of een spondylodese, is
een op zichzelf staande medische ingreep, waarvoor ook het vereiste
geldt dat deze in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk dient te
zijn.
Voor zover appellant zich op het standpunt heeft willen stellen dat de
gestelde diagnose bepalend dient te zijn voor de inhoud van het
verstrekkingenpakket en niet de door de arts geadviseerde en/of
toegepaste behandeling, kan de Raad hem daarin niet volgen, reeds niet
omdat dit afstuit op de tekst van artikel 8 van de Ziekenfondswet, welk
artikel recht geeft op bepaalde verstrekkingen.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit inhoudelijk stand kan
houden.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en €
9,06 wegens reiskosten en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds in de
proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.297,06 ;
Bepaalt dat de Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds aan
appellant het betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van €
109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|