|
Uitspraak
02/6146 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
OWM Ziekenfonds Het Groene Land U.A. , gevestigd te Zwolle, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.J.G. Peters, advocaat te Zwolle, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30
oktober 2002, reg.nr. 01/870 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is gevoegd behandeld met de zaken, aanhangig onder
registratienummers 02/2490 ZFW en 02/5190 ZFW ter zitting van de Raad op
3 november 2004, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr.
Peters, voornoemd en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen
door R.W. Bestebreurtje, juridisch medewerker, en drs. H. van Nes, medisch adviseur, beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen
partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.
Appellante heeft sedert 1991 rugklachten en is sedert 1994 onder
behandeling geweest van verschillende orthopedisch chirurgen verbonden
aan de Sint Maartenskliniek te Nijmegen. In september 2000 heeft de
orthopedisch chirurg D.B. van der Schaaf, werkzaam bij de Sint
Maartenskliniek te Nijmegen, aangegeven dat besloten is verder een
conservatief beleid, zijnde pijnbestrijding en fysiotherapie, aan te
houden en dat het uitermate onwaarschijnlijk wordt geacht dat een
spondylodese het gewenste effect zal opleveren.
Op 21 september 2000 heeft appellante drs. W.S. Zeegers, orthopedisch
chirurg in de Alpha Klinik te München (Duitsland), geconsulteerd. Deze
arts heeft te kennen gegeven een oplossing te zien voor appellantes
rugklachten door het plaatsen van een discusprothese.
Vervolgens heeft appellante gedaagde op 28 september 2000 verzocht om
vergoeding van kosten verband houdende met een voorgenomen operatieve
ingreep, bestaande uit het implanteren van een discusprothese in de
Alpha Klinik te München.
Gedaagde heeft de aanvraag van appellante bij besluit van 4 oktober 2000
afgewezen.
Op 6 oktober 2000 is appellante in de Alpha Klinik geopereerd door drs.
W.S. Zeegers, waarbij een discusprothese is geplaatst.
Bij besluit van 25 juni 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 4 oktober 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 25 juni 2001 bij
uitspraak van 30 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of gedaagde zich
terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aanbrengen van een
discusprothese niet kan worden aangemerkt als een behandeling die
behoort tot geneeskundige hulp die in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijk is.
Appellante stelt zich op het standpunt dat het aanbrengen van een
discusprothese als gebruikelijk in de zin van de van toepassing zijnde
regelgeving moet worden aangemerkt. Daarbij heeft naar haar mening te
gelden dat de gebruikelijkheid van die behandeling wordt bepaald aan de
hand van de maatstaven die het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (hierna: HvJEG) in zijn arrest van 12 juli 2001, reg.nr.
C-157/99 heeft geformuleerd. Daarvan uitgaande heeft appellante er op
gewezen dat deze behandeling door de orthopedisch chirurg drs. W.S.
Zeegers van 1989 tot 1 augustus 2000 is uitgevoerd in het
Maaslandziekenhuis te Sittard en aansluitend in de Alpha Klinik te
München.
In Nederland is de ingreep tot 1 augustus 2000 door
ziektekostenverzekeraars en ziekenfondsen vergoed onder de CTG-code voor
ventrale spondylodese. Sinds de tweede helft van 2002 wordt de
behandeling vergoed en uitgevoerd in ziekenhuizen in Zwolle en Alkmaar.
De discusprotheseoperatie wordt uitgevoerd in een aanzienlijk aantal
landen, daaronder begrepen België, Frankrijk, Italië, Zwitserland, het
Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Gesteld wordt dat wereldwijd
meer dan 7000 rugpatiënten op die manier zijn behandeld. Gewezen is op
diverse publicaties waarin de klinische ervaringen met deze behandeling
zijn beschreven. Voorts is aangevoerd dat de behandeling vergoed wordt
door Krankenkassen en andere ziektekostenverzekeraars in Duitsland, door
mutualiteiten in België en door Franse ziektekostenverzekeraars. De
Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA) heeft voor de Charité,
een bepaald type discusprothese, na onderzoeken in oktober 2004 een
veiligverklaring afgegeven. Appellante heeft benadrukt dat zij in
Nederland was uitbehandeld en dat de uitgevoerde operatie succesvol is
geweest. Tenslotte heeft appellante een beroep gedaan op het
gelijkheidsbeginsel.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de discusprothese niet
gebruikelijk kan worden gevonden aangezien deze door de internationale
wetenschap onvoldoende is onderzocht. Met name ontbreken betrouwbare
onderzoeken over de effecten op lange termijn. Tot augustus 2000 heeft
vergoeding van de discusprothese plaats gevonden omdat indertijd niet
duidelijk was dat het om een andere behandeling ging dan een ventrale
spondylodese. Gedaagde baseert zijn standpunt onder meer op adviezen van
zijn medisch adviseurs, het advies van de de Commissie
verstrekkingengeschillen van het College voor zorgverzekeringen van 8
juni 2001, een brief d.d. 13 oktober 2000 van dr. C.M.T. Plasmans,
voorzitter van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging aan
Zorgverzekeraars Nederland en een artikel van een aantal orthopedisch
chirurgen uit academische ziekenhuizen in het Nederlands Tijdschrift
voor Geneeskunde (NTG) van 31 augustus 2002 waarin de resultaten van
studies uit verschillende landen zijn geëvalueerd en waarbij - onder
meer in verband met de risico’s van prothesegerelateerde complicaties
op langere termijn en het ontbreken van voldoende betrouwbare lange
termijnresultaten in de literatuur - het plaatsen van een discusprothese
is aangemerkt als experimentele chirurgie.
De Raad, zich beperkende tot het punt van geschil, overweegt het
volgende.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Zfw hebben verzekerden aanspraak
op verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige verzorging,
voorzover met betrekking tot die zorg geen aanspraak bestaat ingevolge
de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Aard, inhoud en omvang van deze
verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij en krachtens het op artikel 8,
tweede lid, van de Zfw vastgestelde Verstrekkingenbesluit
ziekenfondsverzekering (Vb). Blijkens artikel 12, onder 1, sub a van het
Vb juncto artikel 8, eerste lid, onder a van de Zfw wordt
medisch-specialistische zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis,
naar de omvang bepaald door hetgeen in de kring van beroepsgenoten
gebruikelijk is.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij ministeriële
regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een
ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven zich voor het
geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een in
het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële regeling is
de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni
1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz luidt:
“Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een
verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland,
worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld
dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig
is” .
Uit eerdergenoemd arrest van het HvJEG van 12 juli 2001, reg.nr.
C-157/99, volgt dat in het kader van de vraag of een behandeling in de
kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is, beoordeeld dient te worden
of deze door de internationale wetenschap voldoende is beproefd en
deugdelijk bevonden. Bij die beoordeling dienen alle beschikbare
relevante gegevens in aanmerking te worden genomen, waaronder met name
literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van
specialisten, alsmede de vraag of de betrokken behandeling al dan niet
wordt gedekt door het stelsel van ziektekostenverzekering van de
lidstaat waarin de behandeling plaatsvindt.
De Raad is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot
het oordeel gekomen dat het implanteren van een discusprothese ten tijde
hier in geding, te weten het tijdvak van 28 september 2000 tot 25 juni
2001, in de internationale wetenschap nog niet zodanig was beproefd en
deugdelijk bevonden dat deze behandeling als gebruikelijk in de zin van
de Zfw kon worden aangemerkt.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat:
- de in binnen- en buitenland gepubliceerde onderzoeken veelal tot de
conclusie komen dat nader onderzoek omtrent de effecten op langere termijn nodig
is;
- de Nederlandse Orthopedische Vereniging van mening is dat nader
onderzoek moet worden gedaan naar de lange termijneffecten en dat niet gebleken is
dat de ledenraad zich van de brief van zijn voorzitter van 13 oktober 2000
heeft gedistantieerd;
- gezaghebbende specialisten in Medisch Contact van 26 april 2002 een vergelijkend
randomized controlled trial met typen van spondylodese noodzakelijk hebben geacht
teneinde de theoretische voordelen van de discusprothese met name ook wat betreft de
lange termijneffecten te
kunnen beoordelen;
- een aantal aan academische ziekenhuizen verbonden orthopedisch
chirurgen in NTG van 31 augustus 2002 het plaatsen van een discusprothese - onder
meer wegens het ontbreken van betrouwbare lange termijn resultaten in de
internationale literatuur - als experimentele chirurgie aanmerken;
- de orthopedisch chirurg drs. Zeegers zelf heeft erkend dat nog
onderzoek moet worden gedaan naar de effecten op langere termijn;
- ten tijde in geding niet is gebleken van gezaghebbende meningen van buitenlandse en
binnenlandse specialisten dat onderzoek naar de effecten
op langere termijn achterwege kan blijven;
- onderzoek in binnen- en buitenland omtrent de effecten op langere
termijn ten tijde in geding ontbreekt;
- eerst in het najaar van 2002 in ziekenhuizen te Zwolle en Alkmaar
onderzoek is begonnen naar de effecten op langere termijn;
- eerst in oktober 2004, dus na het tijdvak in geding, de resultaten van
de beoordeling door de FDA bekend zijn gemaakt.
Het feit dat de tot 2000 door drs. Zeegers in Nederland toegepaste
discusprothesebehandeling is vergoed door Nederlandse ziekenfondsen doet
aan het voorgaande evenmin af, reeds omdat de behandeling - zonder
medeweten van de ziekenfondsen - onder een andere aanduiding (ventrale
spondylodese) is gedeclareerd en als zodanig is vergoed.
Voorts kan de stelling dat het aanbrengen van een discusprothese wel zou
worden vergoed door - onder meer - de Krankenkassen in Duitsland, niet tot
het oordeel leiden dat deze behandeling in de internationale medische
wetenschap ten tijde in geding wel voldoende beproefd en deugdelijk was
bevonden. De Raad merkt in dit verband op dat geen inzicht is verschaft
in de beoordeling die tot de gestelde vergoeding zou hebben geleid.
Ten slotte overweegt de Raad dat het beroep van appellante op het
gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Appellante heeft aangevoerd dat
gedaagde aan een met name genoemde (particulier) verzekerde wel de
kosten die verband houden met een soortgelijke operatie in de Alpha
Kliniek heeft vergoed. De Raad wijst die grief af omdat er geen sprake
is van een ‘gelijk geval’. Het betrof in de genoemde situatie immers
een bij gedaagde particulier verzekerde persoon die, naar gedaagde
onweersproken heeft gesteld, uit coulance een onverplichte vergoeding
uit gedaagdes eigen middelen heeft ontvangen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en
dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29
december 2004.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|