|
Uitspraak
03/1322 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Maastricht van 14 februari 2003, reg.nr. AWB 02/519 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2005, waar appellante
- met voorafgaande kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J. van Rijn, werkzaam bij
gedaagde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende in dit geding
van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1973, is als kind op haar twee voortanden
gevallen. Daarop volgende tandheelkundige behandelingen hebben niet tot
het gewenste resultaat geleid. Uiteindelijk zijn beide tanden afgebroken
en verwijderd.
Namens appellante heeft drs. E. Aussems, tandarts te Maastricht, bij
aanvraag van 6 december 2001 verzocht om goedkeuring voor het plaatsen
van twee implantaten. Aangezien de buurtanden (van de inmiddels
verwijderde voortanden) nog gaaf zijn is het naar zijn mening zonde om
deze tanden af te slijpen zodat een brug geplaatst kan worden.
Bij het primaire besluit van 18 januari 2002 heeft gedaagde deze
aanvraag afgewezen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door
gedaagde bij het bestreden besluit op bezwaar van 4 april 2002, in
overeenstemming met het advies van het College voor zorgverzekeringen (CVZ)
van 27 maart 2002, ongegrond verklaard.
Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is van een
afwijking respectievelijk een gebitssituatie als bedoeld in de artikelen
8 en 9 van de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering
(hierna: de Regeling).
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Zij heeft daarbij aangegeven dat op grond van de Regeling
geen aanspraak bestaat op het aanbrengen van tandheelkundige implantaten
zoals verzocht. Daarbij is overwogen dat in de Ziekenfondswet (Zfw) een
stelsel van expliciet opgesomde verstrekkingen is neergelegd en dat dit
stelsel een limitatief en dwingend karakter heeft. De rechtbank heeft
geen mogelijkheid gezien voor een ruime uitleg, hoezeer ook zij begrip
kan opbrengen voor de door appellante geuite wens tot aanbrenging van
tandheelkundige implantaten.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij aangevoerd dat zij het vreemd vindt
dat zij de implantaten wel vergoed zou krijgen wanneer zij al haar
tanden zou laten trekken. Voorts heeft appellante gewezen op problemen
met haar huidige prothese die niet opgelost kunnen worden door een
nieuwe prothese omdat te veel bot uit haar kaak is weggehaald. In haar
kaak kunnen nog wel heel goed twee implantaten worden geplaatst.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellante op grond van de Regeling
aanspraak heeft op de gevraagde verstrekking, zijnde twee implantaten.
Vooropgesteld moet worden dat de Zfw en de daarop berustende regelingen
een duidelijk omschreven en limitatief bedoeld stelsel van
verstrekkingen bevatten dat als zodanig geen ruimte biedt voor andere
verstrekkingen dan in deze regelgeving is bepaald.
Ten aanzien van tandheelkundige zorg voor verzekerden van 18 jaar en
ouder is aan dit gesloten systeem vorm en inhoud gegeven door het
bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het Verstrekkingenbesluit en de
daarop berustende Regeling, waarin een limitatieve en nauw omschreven
opsomming is gegeven van tandheelkundige hulp en de gevallen waarin
daarop - al dan niet - aanspraak bestaat. Voorts vloeit uit ’s
Raads jurisprudentie voort dat in de aard van een dergelijk enumeratief
en limitatief systeem van aanspraken besloten ligt dat er in beginsel
geen ruimte is voor een extensieve interpretatie in de door appellante
gewenste zin.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder b van de Regeling omvat de
tandheelkundige hulp voor verzekerden van 18 jaar en ouder chirurgische
hulp van specialistische aard, met uitzondering van onder meer het
aanbrengen van een tandheelkundig implantaat.
Ingevolge artikel 8, eerste lid van de Regeling, heeft de verzekerde
eveneens aanspraak op andere tandheelkundige hulp, dan die bedoeld in
artikel 4 dan wel artikel 6, indien hij een zodanige
ontwikkelingsstoornis, groeistoornis of verworven afwijking van het
tand-kaak-mondstelsel heeft dat hij zonder die hulp geen tandheelkundige
functie kan behouden of verwerven, gelijkwaardig aan die welke hij zou
hebben gehad als de aandoening zich niet zou hebben voorgedaan.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling bestaat op grond van
artikel 8, eerste lid slechts aanspraak op het aanbrengen van een
tandheelkundig implantaat en daarmee verband houdende chirurgische hulp
alsmede het aanbrengen van het vaste gedeelte van de suprastructuur,
indien er sprake is van een zeer ernstig geslonken tandeloze kaak en de
verstrekking dient te bevestiging van een uitneembare prothese.
Gelet op alle thans ter beschikking staande gegevens acht de Raad niet
gebleken van een ernstige ontwikkelingsstoornis, groeistoornis of
verworven afwijking van het tand-kaak-mondstelsel als bedoeld in artikel
8, eerste lid van de Regeling. Evenmin is voldaan aan de in artikel 9,
eerste lid van de Regeling, gestelde voorwaarde dat sprake is van een
zeer ernstig geslonken tandeloze kaak.
Derhalve voorziet de Regeling in dit geval niet in een aanspraak op
implantaten.
Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. R.M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
februari 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|