|
Uitspraak
03/980 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Onderlinge Waarborgmaatschappij Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A.,
appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2003, reg.nr. 02/1057 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 6
januari 2005 een aantal stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 februari 2005, waar appellante
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L. Ganner, werkzaam bij
appellante. Voor gedaagde is verschenen haar echtgenoot [naam
echtgenoot].
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de in dit geding toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak.
Gedaagde is sinds 1996 werkzaam als zelfstandig ondernemer.
Zij heeft op 24 oktober 2000 bezwaar gemaakt tegen de aanslag, waarbij
zij met betrekking tot het jaar 2000 ingevolge de Ziekenfondswet als
verplicht verzekerd is aangemerkt. Bij brief van 29 juni 2001 heeft de
inspecteur van de rijksbelastingdienst, kantoor Enschede, gedaagde
meegedeeld dit bezwaar als gevolg van een interne reorganisatie ter
behandeling te hebben doorgezonden naar het kantoor van de
rijksbelastingdienst te Gouda.
Bij besluit van 26 december 2000 heeft de inspecteur van de
rijksbelastingdienst, kantoor Gouda, verklaard dat uit de gegevens van
de belastingdienst van 1 oktober 2000 is gebleken dat gedaagde als
zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte
ziekenfondsverzekering in 2001.
Appellante heeft op 13 juli 2001 door een bestandsvergelijking met de
belastingdienst vastgesteld dat gedaagde als zelfstandig ondernemer met
ingang van 1 januari 2001 niet voldoet aan de voorwaarden voor de
verplichte ziekenfondsverzekering, omdat haar inkomen boven de
ziekenfondsgrens ligt.
Bij besluit van 30 augustus 2001 heeft appellante aan gedaagde
meegedeeld dat zij over de periode 1 januari 2001 tot 13 juli 2001
onrechtmatig als ziekenfondsverzekerde ingeschreven heeft gestaan en dat
in verband daarmee een schadevergoeding verschuldigd is van f 4.517,76.
Dit bedrag is gebaseerd op de bedragen die zijn opgenomen in artikel 3
van het Besluit nadere regeling inschrijving ziekenfondsverzekering
(hierna: de Regeling), zoals dat luidde ten tijde van dit besluit.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van
8 februari 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 januari 2003 het beroep tegen
dat besluit - met een bepaling over het griffierecht - gegrond verklaard
en dat besluit vernietigd, voorzover het betreft het bedrag van de gevorderde schadevergoeding. De
rechtbank heeft overwogen dat appellante bevoegd is een schadevergoeding
in rekening te brengen over de periode waarin gedaagde ten onrechte
ingeschreven heeft gestaan. Met betrekking tot de hoogte van de
schadevergoeding heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Verweerder heeft de schadevergoeding bepaald op grond
van de bij besluit het College van 23 november 2000 vastgestelde
bedragen. Gezien de in bezwaar aangevoerde omstandigheden is de
rechtbank van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen bij
de heroverweging van het primaire besluit niet aan deze bedragen vast te
houden en uit te gaan van de bij besluit van 22 november 2001
vastgestelde bedragen, die zijn gebaseerd op de landelijk gemiddelde
jaarlijkse kosten per maand van een ziekenfondsverzekerde jonger dan 65
jaar. Tot een verdere beperking van de gevorderde schadevergoeding was
verweerder niet gehouden."
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd,
voorzover het betreft het bedrag van de gevorderde schadevergoeding.
Appellante wenst vast te houden aan de in november 2000 voor het jaar
2001 door het College voor zorgverzekeringen op basis van artikel 22 van
het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering vastgestelde bedragen,
aangezien deze de landelijke gemiddelde jaarlijkse kosten voor het jaar
2001, het jaar van de onrechtmatige inschrijving, betreffen.
Gedaagde heeft in hoger beroep aangevoerd dat - kort gezegd - de
gehanteerde maandelijkse bedragen aan schadevergoeding hoger zijn dan
de premies van de particuliere ziektekostenverzekering, dat de wet niet
verplicht tot het vorderen van schadevergoeding en dat bij de afweging
volledig voorbij is gegaan aan haar stelling dat zij de verklaring van
de inspecteur van de belastingdienst van 26 december 2000 nooit heeft
ontvangen. Gedaagde heeft voorts gesteld dat zij door de veelvuldige
vertragingsberichten van de belastingdienst inzake de afhandeling van
haar bezwaar van 24 oktober 2000 en bij het uitblijven van een aanslag
met betrekking tot het jaar 2001 in de veronderstelling verkeerde dat
zij, zolang daarover nog geen besluit was genomen, nog steeds door de
fiscus als verplicht verzekerd werd beschouwd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad begrijpt de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de
hoogte van de schadevergoeding aldus, dat de rechtbank in de door
gedaagde in bezwaar aangevoerde (samenloop van bijzondere)
omstandigheden aanleiding heeft gezien voor een matiging van het
schadevergoedingsbedrag, zoals dat uit artikel 3 van de Regeling
voortvloeit, en dat voor die matiging is aangesloten bij de - lagere -
bedragen uit de Regeling die gelden voor het jaar 2002.
Het geschil tussen partijen betreft het bedrag van de matiging. In
hetgeen in hoger beroep van de zijde van appellante naar voren is
gebracht heeft de Raad geen toereikende aanknopingspunten gevonden om
het oordeel van de rechtbank hierover voor onjuist te houden. Hij voegt
daaraan nog het volgende toe.
Blijkens vaste jurisprudentie van deze Raad mag het uitoefenen van de
bevoegdheid om schadevergoeding te vorderen van degene die niet heeft
voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 14, derde lid, van het
Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering geen automatisme zijn, maar
dient dit te berusten op een evenwichtige belangenafweging. Daarbij moet
elk geval op zijn eigen merites worden beoordeeld.
Appellante acht geen sprake van bijzondere omstandigheden die tot
matiging van het gevorderde bedrag dienen te leiden.
In het onderhavige geval heeft gedaagde zich steeds op het standpunt
gesteld dat zij het besluit van de belastinginspecteur van 26 december
2000, waarin zij als niet verplicht verzekerd voor de
ziekenfondsverzekering wordt aangemerkt, niet ontvangen heeft. Nu niet
is gebleken dat deze verklaring aangetekend is verzonden, en gedaagde in
haar contacten met de belastingdienst (waaronder het op 24 oktober 2000
gemaakte bezwaar) een consistente stellingname heeft getoond, inhoudend
dat zij als niet verplicht verzekerd wenst te worden aangemerkt omdat de
ziekenfondsverzekering voor haar duurder is dan een particuliere
verzekering, acht de Raad het voldoende aannemelijk dat zij dit besluit,
waarmee immers aan haar bezwaar tegemoet werd gekomen, niet heeft
ontvangen. Gedaagde is ten onrechte aan dit aspect bij zijn
besluitvorming voorbijgegaan.
Ervan uitgaande dat gedaagde het besluit van 26 december 2000 niet
ontvangen heeft, mede in aanmerking genomen de verwarring bij appellante
omtrent de afhandeling van voormeld bezwaar van 24 oktober 2000 en de
consequenties daarvan voor de verzekeringsplicht in 2001 en de
onduidelijkheid omtrent de berekening van het relevante inkomen - zoals
ook ter zitting is gebleken - , is de Raad van oordeel dat appellante in
het onderhavige geval de gevorderde schadevergoeding had dienen te
matigen. De Raad ziet geen grond voor een minder ver gaande matiging dan
waartoe de rechtbank is gekomen. Op grond van de hiervoor vermelde
overwegingen van de Raad komt de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Bepaalt dat appellante een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat van appellante een griffierecht van € 414,-- wordt
geheven.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart
2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|