|
Uitspraak
02/6433 ZFW en 02/6455 ZFW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
de onderlinge waarborgmaatschappij NUTS Zorgverzekering U.A., gevestigd
te ’s-Gravenhage (hierna: het ziekenfonds).
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens betrokkene heeft mr. V.A.D. Enters, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 7 november 2002, reg.nr. 01/4161 ZFW.
Ook het ziekenfonds heeft hoger beroep ingesteld.
Het ziekenfonds heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 21 december 2004.
Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. de Vormer, advocaat te ’s-Gravenhage. Het ziekenfonds heeft
zich niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en
de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Betrokkene was vanuit zijn dienstverband bij de Stichting Werkbij te
’s-Gravenhage verplicht verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw).
Op 7 november 2000 heeft de werkgever desgevraagd schriftelijk aan het
ziekenfonds bericht dat betrokkene vanaf 11 juli 1997 niet meer in
dienst is. Op 5 december 2000 heeft het ziekenfonds van betrokkene
telefonisch bericht ontvangen dat hij vanaf 11 juli 1997 geen recht meer
heeft op een ziekenfondsverzekering.
Vervolgens heeft het ziekenfonds bij besluit van 20 februari 2001 aan
betrokkene over de periode van 11 juli 1997 tot 5 december 2000 een bedrag van f 8.904,14 aan
schadepremie
(schadevergoeding als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Zfw)
opgelegd, omdat betrokkene het ziekenfonds niet tijdig in kennis heeft
gesteld van het einde van zijn verzekering. Op het door betrokkene te
betalen bedrag heeft het ziekenfonds de nominale premie over die periode
in mindering gebracht, als gevolg waarvan een nog aan het ziekenfonds te
betalen bedrag resteerde van f 7.654,14.
Bij besluit van 18 oktober 2001 heeft het ziekenfonds de opgelegde
schadepremie gehandhaafd. Aangezien inmiddels was gebleken dat
betrokkene over een gedeelte van de periode van 11 juli 1997 tot 5
december 2000 de nominale premie niet had voldaan, is het door
betrokkene nog aan het ziekenfonds te betalen bedrag nader vastgesteld
op f 7.758,64.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 18
oktober 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd “voor zover het
ziet op het bedrag van de terugvordering” en het door betrokkene
verschuldigde bedrag vastgesteld op f 7.654,14. Daartoe heeft de
rechtbank overwogen dat betrokkene, in strijd met het verbod van
reformatio in peius, door het indienen van zijn bezwaarschrift in een
slechtere positie is beland dan wanneer hij geen bezwaar zou hebben
gemaakt.
Betrokkene en het ziekenfonds hebben zich in hoger beroep gemotiveerd
tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het hoger beroep van betrokkene
De Raad stelt voorop dat de beëindiging van het dienstverband per 11
juli 1997 vaststaat en voorts dat de ter beschikking staande gegevens
geen aanknopingspunt bieden voor de vaststelling dat betrokkene
gedurende (een gedeelte van) de periode van 11 juli 1997 tot 5 december
2000 uit hoofde van enig ander dienstverband dan wel anderszins, wél
verplicht verzekerd zou zijn geweest. Ter zitting is dit namens
betrokkene ook erkend.
Ingevolge artikel 14, derde lid, van het Inschrijvingsbesluit
ziekenfondsverzekering (Besluit) was betrokkene verplicht om het
ziekenfonds terstond in kennis te stellen van feiten of omstandigheden
die leiden tot beëindiging van zijn inschrijving als verzekerde.
Betrokkene heeft aangevoerd dat hij zich op 5 juli 1997 bij de balie van
het ziekenfonds heeft gemeld en bij die gelegenheid een brief, gedateerd
5 juli 1997, heeft afgegeven met daarin het verzoek om zijn
ziekenfondsverzekering per direct te beëindigen. Voorts is aangevoerd
dat ook nadien contact met het ziekenfonds is opgenomen met betrekking
tot de beëindiging van de verzekering.
Het ziekenfonds heeft aangegeven dat het een registratiesysteem hanteert
waarbij van aan de balie afgegeven stukken een ontvangstbewijs wordt
verstrekt. Nu de brief van 5 juli 1997 bij het ziekenfonds niet bekend
is en betrokkene niet beschikt over een ontvangstbewijs van de afgifte
van die brief, kan niet worden vastgesteld dat betrokkene op deze wijze
de verzekering heeft beëindigd. Evenmin is aannemelijk geworden dat het
ziekenfonds vóór 5 december 2000 door of namens betrokkene op andere
wijze in kennis is gesteld van feiten of omstandigheden die leiden tot
beëindiging van zijn inschrijving als verzekerde. De Raad acht in dit
verband mede van belang dat betrokkene gedurende het grootste gedeelte
van de in geding zijnde periode de maandelijkse nominale premie is
blijven betalen. Bovendien heeft het ziekenfonds in het besluit van 18
oktober 2001 aangegeven dat betrokkene in de periode van 10 februari
1998 tot en met 23 oktober 2000 daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van
de verzekering. Betrokkene heeft dit in beroep erkend. Gelet op de
specifieke verklaring van het ziekenfonds hierover en in aanmerking
genomen dat betrokkene vervolgens pas in hoger beroep en ongemotiveerd
is teruggekomen van zijn eerdere verklaring dat hij daadwerkelijk van de
verzekering gebruik heeft gemaakt, acht de Raad het aannemelijk dat
betrokkene zich als ziekenfondsverzekerde heeft gepresenteerd, althans
een aanspraak op verstrekkingen heeft geldend gemaakt. De Raad ziet,
mede in dit licht, geen aanleiding in te gaan op het verzoek van
betrokkene om het ziekenfonds op te dragen een en ander nader met
bewijsstukken te onderbouwen. Met het ziekenfonds en de rechtbank
concludeert de Raad dan ook dat betrokkene de ingevolge artikel 14,
derde lid, van het Besluit op hem rustende verplichting niet is
nagekomen. De Raad wijst er in dit verband nog op dat de nakoming van
die verplichting behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van
betrokkene.
Uit het voorgaande volgt dat het ziekenfonds bevoegd was aan betrokkene,
met toepassing van artikel 5, vierde lid, van de Zfw, artikel 22, eerste
lid, van het Besluit en artikel 3 van het Besluit nadere regeling
inschrijving ziekenfondsverzekering, een schadevergoeding op te leggen
en deze - in beginsel - vast te stellen op het forfaitair bepaalde
bedrag van f 8.904,14.
Betrokkene heeft vervolgens aangevoerd dat de schadepremie dient te
worden verminderd met de bedragen die in rekening zijn gebracht over
tijdvakken in de in geding zijnde periode waarin hij was gedetineerd.
Ingevolge artikel 42 van de Penitentiaire beginselenwet heeft een
gedetineerde recht op medische verzorging door of vanwege een aan de
inrichting verbonden arts en op verstrekking van voorgeschreven
medicijnen en diëten. De aanwezigheid van deze voorziening kan - op
zich zelf - aanleiding zijn voor het oordeel dat het ziekenfonds
gebruik had moeten maken van de in de rechtspraak van de Raad aanvaarde
bevoegdheid om in bijzondere - en zeer specifieke - gevallen de wegens
onrechtmatige inschrijving op te leggen schadepremie te matigen,
aangezien voor de duur van de vrijheidsbeneming het risico voor het
ziekenfonds sterk verminderd is geweest. De Raad moet echter vaststellen
dat betrokkene al in de bezwaarfase heeft toegezegd een overzicht van
detentieperioden te zullen verstrekken, maar - hoewel daartoe vervolgens
ettelijke malen uitdrukkelijk uitgenodigd - dit noch in bezwaar, noch in
beroep noch in hoger beroep heeft gedaan. In die omstandigheden kan niet
worden geoordeeld dat het ziekenfonds in verband met detentie tot
matiging had moeten overgaan.
In hetgeen betrokkene overigens heeft aangevoerd heeft de Raad evenmin
een aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat het ziekenfonds in
redelijkheid niet heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid gebruik te
maken.
Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.
Het hoger beroep van het ziekenfonds
Op grond van de van toepassing zijnde regelgeving heeft de
besluitvorming van het ziekenfonds in gevallen als het onderhavige
slechts betrekking op het opleggen van een schadepremie. Het
restitueren, door middel van verrekening, van de achteraf bezien
onverschuldigd betaalde nominale premie maakt van de hiervoor bedoelde
besluitvorming geen deel uit.
In het geval van betrokkene is de hoogte van de op te leggen
schadepremie in het besluit van 20 februari 2001 vastgesteld op f
8.904,14. Dit bedrag is bij het besluit van 18 oktober 2001 gehandhaafd.
De Raad onderschrijft dan ook niet het oordeel van de rechtbank dat het
ziekenfonds heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in
peius.
Het hoger beroep van het ziekenfonds slaagt.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen
uitspraak, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 oktober
2001 ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2001 ongegrond.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I.
’t Hooft en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15
maart 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|