|
Uitspraak
03/3583 ZFW en 05/1732 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Agis Zorgverzekeringen U.A.,
gevestigd te Amersfoort, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. G.A. van der Veen, advocaat te Breda, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23
juni 2003, reg.nr. 01/3514 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante heeft mr. Van der Veen enkele vragen van de Raad
schriftelijk beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2005, waar appellante
is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen, en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Wood en drs. M.H. Hemrika,
beiden werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de
Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Bij brief van 5 januari 2001 heeft appellante gedaagde verzocht de
kosten van een medische behandeling te vergoeden.
Bij besluit van 15 maart 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld
de kosten gedeeltelijk te vergoeden. Daarbij is, in strijd met artikel
3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet vermeld dat - binnen
zes weken - bij gedaagde bezwaar kon worden gemaakt.
Gedaagde heeft de toegekende vergoeding op 21 april 2001 aan appellante
betaald.
Bij faxbericht van 19 juli 2001 is namens appellante tegen het besluit
van 15 maart 2001 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 augustus 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond
verklaard.
Bij brief van 1 oktober 2001 heeft appellante tegen het besluit van 21
augustus 2001 beroep bij de rechtbank ingesteld.
Bij besluit van 19 maart 2003 heeft gedaagde, na alsnog advies te hebben
ingewonnen bij het College voor zorgverzekeringen, het besluit van 21
augustus 2001 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 15 maart
2001 opnieuw ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 21 augustus 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd
en - zelf in de zaak voorziend - het bezwaar niet-ontvankelijk
verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift te laat
is ingediend en vervolgens geoordeeld dat die termijnoverschrijding niet
verschoonbaar is.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Zij heeft, gemotiveerd, betoogd dat de rechtbank ten onrechte
heeft geoordeeld dat gedaagde het bezwaar van appellante
niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Voorts is aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat het door
appellante betaalde griffierecht dient te worden vergoed en gedaagde te
veroordelen in de proceskosten van appellante.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst, ambtshalve, vast dat het besluit van 19 maart
2003 dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel
6:18 van de Awb, waarmee niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep
van appellante. De rechtbank had derhalve op grond van artikel 6:19,
eerste lid, van de Awb het beroep mede tegen dat besluit gericht moeten
achten. Nu de rechtbank dat heeft nagelaten, dient de aangevallen
uitspraak te worden vernietigd.
Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep
tegen het besluit van 21 augustus 2001 wegens het ontbreken van
procesbelang niet-ontvankelijk verklaren en vervolgens het beroep,
voorzover dit geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 19
maart 2003, beoordelen.
De Raad ziet zich aldus gesteld voor de vraag of gedaagde het bezwaar
van appellante tegen het besluit van 15 maart 2001 terecht ontvankelijk
heeft geacht.
De Raad stelt vast dat op grond van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb
de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit
van 15 maart 2001 is aangevangen op 16 maart 2001 en dat 26 april 2001
de laatste dag is waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend.
Het bezwaarschrift van 19 juli 2001 is derhalve niet binnen de
wettelijke termijn ingediend.
Vervolgens dient de Raad te beoordelen of gedaagde terecht aanleiding
heeft gevonden om, met toepassing van artikel 6:11 van de Awb,
niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege te laten op de
grond dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat appellante in
verzuim is geweest.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dwingt het door het bestuursorgaan
niet opvolgen van het voorschrift van artikel 3:45 van de Awb niet zonder meer tot de conclusie dat het niet
tijdig maken van bezwaar verschoonbaar moet worden geacht, maar zijn
daarvoor - kort gezegd - bijkomende omstandigheden nodig.
Naar het oordeel van de Raad doen zich in het voorliggende geval
dergelijke bijkomende omstandigheden niet voor. De Raad acht tekst en
strekking van het, naar aanleiding van het verzoek van appellante van 5
januari 2001 genomen, besluit van 15 maart 2001 zodanig dat appellante
redelijkerwijs had moeten begrijpen dat van een - definitief - besluit
sprake was. Dat in dat besluit melding wordt gemaakt van eerdere
contacten tussen appellante en gedaagde over eerdere
vergoedingsmogelijkheden, hetgeen - aldus appellante - bij haar de
indruk heeft gewekt dat van een definitief besluit nog geen sprake was,
maakt dat niet anders. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellante
toen zij op 21 april 2001 de haar toegekende vergoeding uitbetaald
kreeg, zich is gaan beraden of zij bezwaar zou maken en het vervolgens
nog tot 8 juni 2001 heeft geduurd voor zij zich tot haar
rechtsbijstandverzekeraar heeft gewend en tot 19 juli 2001 voor
daadwerkelijk bezwaar werd gemaakt.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde het bezwaar ten onrechte
ontvankelijk heeft geacht. Het beroep tegen het besluit van 19 maart
2003 dient daarom gegrond te worden verklaard en dat besluit dient
wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb te worden
vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar
niet-ontvankelijk verklaren.
Gelet op het imperatieve karakter van artikel 8:74, eerste lid, van de
Awb zal de Raad bepalen dat het door appellante in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante, begroot op € 644,-- in beroep en €
644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2001
niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het besluit van 19 maart 2003 gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 maart 2003;
Verklaart het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 januari
2001 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1288,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van in
totaal € 114,23 (€ 27,23 en € 87,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|