|
Uitspraak
03/3945 ZFW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.I. Pul, advocaat te Doetinchem, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juni
2003, reg.nr. 02/1601 ZFW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.T.B. Grob,
kantoorgenoot van mr. Pul, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. D. van de Laar, werkzaam bij de Stichting
Ziekenfonds VGZ.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Bij brief van 15 juni 2001 heeft appellante gedaagde verzocht de kosten
van een rugoperatie in de Alpha Klinik te München, Bondsrepubliek
Duitsland, te vergoeden. Als bijlage bij deze brief heeft appellante een
briefje van haar huisarts van 14 juni 2001 gevoegd, waaruit een
indicatie voor een rugoperatie in Duitsland valt af te leiden.
Bij besluit van 5 juli 2001 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de
grond dat, gelet op de gezondheidstoestand van appellante en het te
verwachten ziekteverloop, tijdige behandeling in Nederland kan
plaatsvinden zodat het niet noodzakelijk is dat appellante zich voor
haar geneeskundige verzorging wendt tot een niet-gecontracteerde
instelling buiten Nederland.
Appellante heeft bij brief van 28 augustus 2001 gedaagde verzocht de
kosten van het plaatsen van een discusprothese in de Alpha Klinik te
vergoeden. Daarbij is een briefje van de huisarts gevoegd waarin is
aangegeven “medische indicatie voor retour Alpha Klinik München”.
In het tegen het besluit van 5 juli 2001 gerichte aanvullende
bezwaarschrift van 28 september 2001 heeft appellante aangegeven dat zij reeds geruime tijd
ernstige rugklachten heeft en dat zij zich noodgedwongen heeft gericht
op behandeling in het buitenland omdat zij in Nederland uitbehandeld
was. Daarbij is tevens aangegeven dat zij inmiddels op 19 juni 2001 een
rugoperatie in de Alpha Klinik had ondergaan en dat op 7 september 2001
aldaar ook een discusprothese was geplaatst.
Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft gedaagde de aanvraag van
appellante van 28 augustus 2001 strekkende tot vergoeding van de discusprothese
afgewezen.
Bij besluit van 9 juli 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellante
tegen de besluiten van 5 juli 2001 en 10 oktober 2001 ongegrond
verklaard. Daarbij heeft gedaagde zich - zakelijk weergegeven - op het
standpunt gesteld dat uit recent internationaal literatuuronderzoek
blijkt, dat de door appellante ondergane endoscopische herniaoperatie en
de discusprothese niet behoren tot de geneeskundige hulp die in de kring
der beroepsgenoten gebruikelijk is, zodat deze behandelingen reeds om
die reden niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 9 juli 2002 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in
hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Ziekenfondswet (Zfw) heeft de
verzekerde aanspraak op verstrekkingen ter voorziening in zijn
geneeskundige verzorging, voorzover met betrekking tot die zorg geen
aanspraak bestaat ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Aard, inhoud en omvang van deze verstrekkingen zijn nader uitgewerkt bij
en krachtens het op artikel 8, tweede lid, van de Zfw gebaseerde
Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (Vb). Blijkens artikel 12,
eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb, juncto, het bepaalde in
artikel 8, eerste lid, onder a, van de Zfw wordt medisch-specialistische
zorg, verleend door of vanwege een ziekenhuis, naar de omvang bepaald
door hetgeen in de kring van beroepsgenoten gebruikelijk is.
Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Zfw kan bij ministeriële
regeling worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden een
ziekenfonds aan een verzekerde toestemming kan geven zich voor het
geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een in
het buitenland gevestigde zorgverlener. Deze ministeriële regeling is
de Regeling hulp in het buitenland ziekenfondsverzekering van 30 juni
1988 (Stcrt. 1988, 123; hierna: Rhbz). Artikel 1 van de Rhbz luidt:
“Als gevallen waarin een ziekenfonds aan een verzekerde toestemming
kan verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op een
verstrekking te wenden tot een persoon of inrichting buiten Nederland,
worden aangewezen de gevallen waarin het ziekenfonds heeft vastgesteld
dat zulks voor de geneeskundige verzorging van die verzekerde nodig
is” .
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 12 juli 2001, reg.nr. C-157/99 (Smits-Peerbooms), volgt dat in het
kader van de vraag of een behandeling in de kring van de beroepsgenoten
gebruikelijk is, beoordeeld dient te worden of deze door de
internationale wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk bevonden.
Bij die beoordeling dienen alle beschikbare relevante gegevens in
aanmerking te worden genomen, waaronder met name literatuur,
wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van
specialisten, alsmede de vraag of de betrokken behandeling al dan niet
wordt gedekt door het stelsel van ziektekostenverzekering van de
lidstaat waarin de behandeling plaatsvindt.
De Raad is in zijn uitspraak van 29 december 2004 (LJN AS3350,
gepubliceerd in RSV 2005,101) tot het oordeel gekomen dat het
implanteren van een discusprothese - in de periode in dat geding van
belang - in de internationale wetenschap nog niet voldoende was beproefd
en deugdelijk bevonden, waardoor deze behandeling niet kon worden
aangemerkt als gebruikelijk in de zin van de Zfw. De Raad heeft daarbij
in aanmerking genomen dat
- de in binnen- en buitenland gepubliceerde onderzoeken veelal tot de
conclusie komen dat nader onderzoek omtrent de effecten op langere
termijn nodig is;
- de Nederlandse Orthopedische Vereniging van mening is dat nader
onderzoek moet worden gedaan naar de lange termijneffecten en dat niet
gebleken is dat de ledenraad zich van de brief van zijn voorzitter van
13 oktober 2000 heeft gedistantieerd;
- gezaghebbende specialisten in Medisch Contact van 26 april 2002 een vergelijkend randomized controlled trial met typen van spondylodese
noodzakelijk hebben geacht teneinde de theoretische voordelen van de discusprothese met name ook wat betreft de lange termijneffecten te
kunnen beoordelen;
- een aantal aan academische ziekenhuizen verbonden orthopedisch
chirurgen in NTG van 31 augustus 2002 het plaatsen van een
discusprothese - onder meer wegens het ontbreken van betrouwbare lange
termijn resultaten in de internationale literatuur - als experimentele
chirurgie aanmerken;
- de orthopedisch chirurg drs. Zeegers zelf heeft erkend dat nog
onderzoek moet worden gedaan naar de effecten op langere termijn;
- ten tijde in geding niet is gebleken van gezaghebbende meningen van buitenlandse en binnenlandse specialisten dat onderzoek naar de effecten
op langere termijn achterwege kan blijven;
- onderzoek in binnen- en buitenland omtrent de effecten op langere
termijn ten tijde in geding ontbreekt;
- eerst in het najaar van 2002 in ziekenhuizen te Zwolle en Alkmaar
onderzoek is begonnen naar de effecten op langere termijn;
- eerst in oktober 2004, dus na het tijdvak in geding, de resultaten van
de beoordeling door de FDA bekend zijn gemaakt.
Gedaagde heeft ter ondersteuning van zijn standpunt, dat het implanteren
van een discusprothese niet gebruikelijk is, verwezen naar de
stellingname van de NOV, naar het artikel in het NTG van 31 augustus
2002 en naar de stand van onderzoek in de Verenigde Staten.
Nu deze gegevens van de zijde van appellant niet op concrete wijze en
onderbouwd met objectieve medische gegevens zijn betwist, komt de Raad
ook in dit geding tot het oordeel dat het aanbrengen van een
discusprothese ten tijde hier in geding, te weten het tijdvak van 28
augustus 2001 tot 9 juli 2002, in de internationale wetenschap nog niet
zodanig was beproefd en deugdelijk bevonden dat deze behandeling als
gebruikelijk in de zin van de Zfw kon worden aangemerkt.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde het verzoek van appellante tot
vergoeding van de kosten verbonden aan het plaatsen van een
discusprothese terecht heeft afgewezen.
Ten aanzien van de vergoeding van de kosten verbonden aan de
endoscopische herniaoperatie komt de Raad tot een ander oordeel.
Gedaagde heeft zijn besluitvorming gebaseerd op door het College van
Zorgverzekeringen (CvZ) verricht literatuuronderzoek naar de waardering
van de endoscopische herniaoperatie in de wetenschap en in de praktijk.
Op 24 september 2001 is de medisch adviseur van het CvZ, dr. J.W.A. van
Loenhout, tot de conclusie gekomen dat de endoscopische herniaoperatie
niet beschouwd kan worden als doelmatige gebruikelijke zorg. Daarbij is
aangegeven dat de techniek, door het nog steeds ontbreken van goede
researchgegevens over de lange termijn effecten, de experimentele fase
nog niet is ontgroeid. Uit de bijlage bij het door gedaagde bij de
rechtbank ingediende verweerschrift blijkt dat het CvZ, naar aanleiding
van ontwikkelingen, op 3 september 2002 opnieuw literatuuronderzoek
heeft gedaan. Vervolgens heeft CvZ geoordeeld dat voldoende gegevens
beschikbaar waren om te kunnen concluderen dat de endoscopische operatie
van een lumbale hernia als een in de kring van beroepsgenoten
gebruikelijke behandeling kan worden aangemerkt.
Gedaagde heeft aangegeven 3 september 2002 als omslagpunt te beschouwen
en handhaaft het standpunt dat ten tijde van het besluit op bezwaar - 9
juli 2002 - de endoscopische herniaoperatie naar internationale
wetenschappelijke maatstaven nog onvoldoende was beproefd en deugdelijk
bevonden. Appellante heeft aangegeven dat voor het antwoord op de vraag
op welk moment een medische ingreep naar internationale
wetenschappelijke maatstaven beoordeeld voldoende beproefd en deugdelijk
wordt bevonden, niet de datum waarop door CvZ een literatuuronderzoek
wordt verricht bepalend kan zijn. Appellante acht ook het moment van
publicatie van de resultaten van een wetenschappelijk onderzoek niet
bepalend, maar de periode waarin het wetenschappelijk onderzoek is
verricht.
De Raad is van oordeel dat nu CvZ na het literatuuronderzoek van 3
september 2002 tot een andere conclusie is gekomen dan na het
literatuuronderzoek van 23 september 2001, niet mag worden uitgesloten
dat het moment waarop de in geding zijnde behandeling voldoende beproefd
en deugdelijk moet worden bevonden op een vroegere datum moet worden
gesteld dan 3 september 2002. Voor die beoordeling is immers mede van
belang op welk moment de resultaten van het voor de omslag relevante
wetenschappelijk onderzoek aan de beroepsgroep bekend zijn gemaakt,
veelal door publicatie ervan. De Raad ziet in het enkele feit dat door
CvZ op 3 september 2002 een literatuuronderzoek is verricht geen
aanknopingspunt voor het oordeel dat eerstgenoemd moment op 3 september 2002 moet worden gesteld. Hij acht daarmee niet gegeven dat
de in geding zijnde behandeling niet reeds op 9 juli 2002 voldoende
beproefd en deugdelijk moest worden gevonden.
Dit leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 9 juli 2002 niet
berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet
onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking
komt. De Raad zal doende wat de rechtbank had behoren te doen, het
beroep gegrond verklaren en het besluit van 9 juli 2002 wegens strijd
met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
vernietigen, voorzover dit besluit betrekking heeft op de vergoeding van
de kosten van de lumbale endoscopische herniaoperatie. Gedaagde zal
worden opgedragen in zoverre opnieuw op het bezwaar van appellante te
beslissen.
De Raad merkt voorts nog op, anders dan gedaagde, geen aanleiding te
zien voor de conclusie dat de verwijzing van appellante naar de Alpha
Klinik door haar huisarts onvoldoende indicatief zou zijn. De circulaire
van het CvZ waarnaar gedaagde heeft verwezen, dateert uit 2004 en kan
voor de periode in geding niet maatgevend zijn.
Ten slotte merkt de Raad op dat indien de - niet onderbouwde - stelling
van gedaagde dat een endoscopische herniaoperatie op lumbaal niveau niet
tot het verstrekkingenpakket van de Krankenkasse behoort juist is, dit
niet meer betekent dan dat gedaagde niet gehouden is tot het verlenen
van de toestemming als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en
onder c sub i, van EG-Verordening 1408/71 in verbinding met het bepaalde
in artikel 22, tweede lid, tweede volzin van deze Verordening. Dat laat
onverlet dat een bestuursorgaan als gedaagde dient na te gaan of naar
nationaal recht, dan wel rechtstreeks op grond van de in artikel 59 van
het EU-Verdrag verankerde vrijheid van verkeer van diensten, aanspraak
bestaat op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de met de
endoscopische herniaoperatie gemoeide kosten.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
de kosten van de endoscopische herniaoperatie;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 juli 2002 voor zover dit betrekking heeft
op de kosten van de endoscopische herniaoperatie;
Bepaalt dat gedaagde met betrekking tot de endoscopische herniaoperatie
een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.288,--;
Bepaalt dat de gedaagde aan appellante het in beroep en in hoger beroep
betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 19 januari 2006.
(get.) mr. R.M. van Male.
(get.) mr. A.H. Polderman-Eelderink.
|
|