|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/3271
ZFW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 april 2005, 04/835 ZFW
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar u.a. (hierna: CZ).
Datum uitspraak: 18 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar u.a. is de
rechtsopvolger van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep
Ziekenfonds. In het onderhavige geding wordt onder CZ tevens verstaan de
Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep Ziekenfonds.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006.
Appellant is niet verschenen. CZ heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. K.T.K. Staffhorst, werkzaam bij CZ.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
De dermatoloog dr. W. Westerhof, verbonden aan het Nederlands instituut
voor pigmentstoornissen van het AMC Amsterdam, heeft op 10 oktober 2003 ten behoeve van appellant een
machtiging gevraagd voor 8 poliklinische behandelingen van vitiligo
vulgaris door minigrafting (autologe huidtransplantatie).
Bij besluit van 3 november 2003 heeft CZ overeenkomstig het advies van
haar medisch adviseur de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 25 maart 2004 heeft CZ het bezwaar van appellant tegen
het besluit van 3 november 2003 overeenkomstig het advies van het
College voor Zorgverzekeringen van 22 maart 2004 ongegrond verklaard.
Daarbij heeft CZ zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan
de criteria voor vergoeding van een plastisch-chirurgische behandeling
zoals deze zijn opgenomen in artikel 2 van de destijds geldende Regeling
medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet (hierna: de Regeling).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen het besluit van 25 maart 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd. Daarbij heeft appellant aangegeven dat de pigmentvlekken leiden
tot schaamte- en angstgevoelens, waardoor erectiestoornissen zijn
ontstaan. Appellant heeft een verklaring overgelegd van H. van Boxtel,
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan de afdeling
psychiatrie van het Sint Elisabeth ziekenhuis te Tilburg, inhoudende dat
appellant onder behandeling is vanwege psychische problemen die mede
zijn veroorzaakt, en in stand worden gehouden, door de pigmentvlekken op
zijn geslachtsdelen. Van Boxtel verklaart daarbij dat de verwijdering
van de pigmentvlekken een gunstige bijdrage zal leveren aan het
psychisch herstel van appellant.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling bestaat
aanspraak op behandeling van plastisch-chirurgische aard indien de
behandeling strekt tot correctie van afwijkingen in het uiterlijk die
gepaard gaan met aantoonbare lichamelijke functiestoornissen.
Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat hij
op grond van deze bepaling aanspraak heeft op de aangevraagde
behandeling. Hij stelt uit schaamte voor zijn pigmentvlekken psychische
klachten te hebben ontwikkeld, waardoor bij hem erectiestoornissen
optreden.
Nog daargelaten het feit dat de Raad in de beschikbare medische gegevens
onvoldoende aanknopingspunten ziet om uit te gaan van het door appellant
gestelde causale verband, is met ingang van 1 februari 2000 de
toepasselijke regelgeving zodanig gewijzigd dat psychisch lijden als
gevolg van een afwijking in het uiterlijk geen indicatie meer vormt voor
een aanspraak op plastisch-chirurgische behandeling die strekt tot
correctie van die afwijking. Op grond hiervan ziet de Raad evenals de
rechtbank geen aanleiding voor oprekking van het indicatievereiste
“afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare
lichamelijke functiestoornissen” in de door appellant voorgestane zin.
Hierdoor zou immers psychisch lijden feitelijk weer als grondslag
fungeren voor aanspraak op een plastisch-chirurgische behandeling. Nu de
door appellant gestelde lichamelijke klachten geen rechtstreeks verband
houden met de pigmentvlekken, kan hij aan de hiervoor weergegeven
bepaling geen aanspraak op plastisch-chirurgische hulp ontlenen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 18 oktober 2006.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) M. Renden.
|
|