|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/2689
ZFW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger
beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 maart
2006, 05/3024 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep
Zorgverzekeraar, gevestigd te Tilburg (hierna: CZ).
Datum uitspraak: 21 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 9 augustus 2006 heeft de Raad het namens
appellant door mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te
Tilburg, tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 9 augustus 2006 heeft de gemachtigde
namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14
februari 2007, waar appellant en CZ - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De aangevallen uitspraak is op 22 maart 2006 verzonden en het
hogerberoepschrift op 8 mei 2006.
De uitspraak van de Raad van 9 augustus 2006 berust hierop, dat aldus de
termijn voor het instellen van hoger beroep is overschreden en dat niet
is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat
deze termijnoverschrijding verschoonbaar is.
In verzet heeft de gemachtigde herhaald dat de onder de aangevallen
uitspraak gestempelde verzenddatum niet goed leesbaar was en dat hij als
gevolg daarvan heeft gelezen “27” in plaats van “22” maart 2006.
Het verzet treft geen doel. De aangevallen uitspraak is aan de
gemachtigde verzonden bij aangetekende brief van 22 maart 2006, zodat
daaruit de verzenddatum zonder meer blijkt. Niet valt in te zien hoe de
gemachtigde desondanks heeft kunnen menen dat de aangevallen uitspraak
eerst op 27 maart 2006 zou zijn verzonden.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van
Male en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 21 februari 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|