|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/3256
ZFW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 mei 2006, 05/1954
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
OWM Centrale Zorgverzekeraars groep, Zorgverzekeraar u.a., als
rechtsopvolger van de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep,
Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg (hierna: CZ).
Datum uitspraak: 20 juni 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.M.E.F. Theuns, werkzaam bij DAS
Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
CZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2007. Van de
zijde van appellante is - met voorafgaand bericht - niemand verschenen.
CZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Hassel, werkzaam
bij CZ.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Bij brief van 27 september 2004 heeft appellante verzocht om toestemming
voor een plastisch-chirurgische behandeling in de vorm van een
ooglidcorrectie aan beide ogen. Daarbij heeft zij verwezen naar een
brief van de oogarts H. Lodewijks te Maasmechelen van 22 september 2004
waarin deze aangeeft dat bij appellante op 14 december 2004 een
bilaterale blefaroplastiek van de bovenoogleden (correctie van
bovenoogleden) is gepland wegens het bestaan van een visus- en
gezichtsbeperkende dermatochalazis (hangende bovenoogleden). Appellante
heeft bij de aanvraag een foto van zichzelf ingezonden.
CZ heeft die aanvraag bij besluit van 4 oktober 2004 afgewezen omdat
geen sprake is van een grond voor het verstrekken van een vergoeding
voor een plastisch-chirurgische ingreep als bedoeld in artikel 2 van de
Regeling medisch specialistische zorg Ziekenfondswet (hierna: Regeling).
Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Op 14 december 2004 heeft de genoemde operatie plaatsgehad.
Bij besluit van 29 augustus 2005 heeft CZ het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 4 oktober 2004 - in overeenstemming met het advies
van het College voor Zorgverzekeringen van 27 juli 2005 - ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 29 augustus 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld
dat bij appellante geen sprake is van verslapte bovenoogleden, die
gepaard gaan met aantoonbare beperkingen van het gezichtsveld als
bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c van de Regeling.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten tijde in geding wel
sprake was van fors afhangende oogleden waardoor haar gezichtsveld
beperkt werd, hetgeen schriftelijk bevestigd is door de oogarts
Lodewijks. Diens verklaringen van 22 september 2004 en 24 oktober 2005
hadden doorslaggevend moeten zijn.
CZ heeft gepersisteerd bij het in het besluit van 29 augustus 2005
neergelegde standpunt.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 2, aanhef, onder c van de Regeling bestaat op een
plastisch-chirurgische behandeling onder meer aanspraak, indien de
behandeling strekt tot correctie van verlamde of verslapte
bovenoogleden, die gepaard gaan met aantoonbare beperkingen van het
gezichtsveld.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of sprake is van
een situatie als bedoeld in deze bepaling.
De Raad stelt vast dat de oogarts Lodewijks in zijn brieven van 22
september 2004 en 24 oktober 2005 heeft aangegeven dat bij appellante,
ten tijde in geding van belang, sprake was van beperkingen van het
gezichtsveld als gevolg van hangende oogleden. Blijkens de rapportage
van de medisch adviseur H. Janssen van CZ van 19 november 2004 is
appellante niet op een spreekuur gezien. Deze heeft zijn beoordeling
uitsluitend gebaseerd op een door appellante ingezonden foto. Op basis
hiervan is geconcludeerd dat de pupillen vrij zijn, dat het huidsurplus
rechts en links niet op de wimpers ligt en dat geen sprake is van een
aantoonbare gezichtsbeperking.
De Raad overweegt dat, nu appellante haar aanvraag met medische stukken
had onderbouwd (de brief van de oogarts Lodewijks), het op de weg van CZ
had gelegen om appellante uit te nodigen voor een bezoek op het
spreekuur van de medisch adviseur teneinde deze in de gelegenheid te
stellen onderzoek te verrichten naar de gezichtsbeperking van
appellante. Met enkel een beoordeling van een foto van het gezicht van
appellante heeft de medisch adviseur Janssen niet mogen volstaan. De
Raad is van oordeel dat een op een momentopname gebaseerde beoordeling
van de oogleden van appellante onvoldoende is om de andersluidende
beoordeling van de oogarts te weerleggen.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit niet met de vereiste
zorgvuldigheid is genomen. Uit het voorgaande volgt dat met vernietiging
van de aangevallen uitspraak het beroep gegrond dient te worden
verklaard en dat het besluit van 29 augustus 2005 wegens strijd met
artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden
vernietigd.
Nu appellante de gevraagde operatie inmiddels heeft ondergaan kan een
nader medisch onderzoek geen uitsluitsel meer geven over haar aanspraak
op (vergoeding van de kosten van) de aangevraagde ooglidcorrecties. Het
alsnog doen verrichten van onderzoek naar de medische situatie van de
oogleden van appellante ten tijde van de aanvraag is daardoor zinledig geworden. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Het
risico van het thans niet meer kunnen beoordelen van de aanspraak op
vergoeding van ooglidcorrecties komt voor rekening van CZ. De Raad zal
daarom beslissen dat de kosten van de operatie aan appellante worden
vergoed.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om CZ te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De kosten worden
begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op €
322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 augustus 2005;
Beslist dat appellante recht heeft op vergoeding van de kosten van de
operatie die op 14 december 2004 heeft plaatsgevonden;
Veroordeelt CZ in de proceskosten van appellante tot een bedrag van €
644,--.
Bepaalt dat CZ aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T.
Berkel-Kikkert en R.H. de Bock als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 20 juni 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.R. Bagga.
|
|