|
Uitspraak
97/992 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr J.A.IJ. van Giffen, advocaat en procureur te
Harlingen, op in het (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te
Leeuwarden onder dagtekening 20 december 1996 tussen partijen gewezen
uitspraak, waarbij met toepassing van artikel 8:55 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) is beslist op zijn verzet tegen een uitspraak als
bedoeld in artikel 8:54 van die wet.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 juli 1998, waar appellant,
zoals tevoren aangekondigd, niet is verschenen.
Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Siersema, werkzaam
bij de gemeente Harlingen.
II. MOTIVERING
Bij de aangevallen uitspraak d.d. 20 december 1996 is met toepassing van
artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb het verzet dat appellant had gedaan
tegen een onder dagtekening 28 juni 1996 tussen partijen gewezen
uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van die wet, ongegrond verklaard.
De Raad ziet zich in het onderhavige geding primair geplaatst voor de
vraag of tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep kan worden
ingesteld en overweegt dienaangaande het volgende.
In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet is
bepaald dat tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel
8:55, vijfde lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Nu op grond van het toepasselijke procesrecht het rechtsmiddel van hoger
beroep niet openstaat tegen een uitspraak als de thans aangevallen
uitspraak, is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
In hetgeen namens appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor
een andersluidend oordeel.
Hij wijst er daarbij op, dat de stelling van appellant dat de
uitsluiting van het hoger beroep ziet op de vereenvoudigde afdoening
zelf en het daartegen gedane verzet doch niet op "de uitspraak ten
gronde", blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent de inhoud
van de onderwerpelijke wettelijke bepalingen.
De Raad voegt hieraan toe, dat een eventuele onjuiste inhoudelijke
beoordeling door de rechtbank van het aan de aangevallen uitspraak ten
grondslag liggende geschil, op zichzelf geen grond kan vormen voor een
doorbreking van het in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de
Beroepswet gegeven appèlverbod.
Ook overigens is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden die
een doorbreking van het appèlverbod
zouden kunnen rechtvaardigen.
De Raad merkt in dit verband op dat gesteld noch gebleken is, dat sprake
is van een evidente schending van de eisen van een goede procesorde, dan
wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
Gelet op het hierboven overwogene moet worden beslist als hieronder is
vermeld.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en
mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 september
1998.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) I. de Hartog.
|
|