|
Uitspraak
98/7418 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[A.], thans wonende te Turkije, appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. F. Koser-Kaya, werkzaam bij (thans) FNV
Ledenservice te Rotterdam, op in een aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 9 september 1998 tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Voorts heeft gedaagde bij brief van 27 september 2000 antwoord gegeven
op vragen die hen namens de Raad schriftelijk waren gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2001. Daar is appellant
verschenen bij zijn gemachtigde mr. Koser-Kaya voornoemd en heeft
gedaagde zich doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de
gemeente 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 5 augustus 1994
aan appellant met ingang van 3 juli 1994 een uitkering op grond van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemers (Ioaw) verleend naar de norm voor een alleenstaande; daarbij
is in aanmerking genomen dat de echtgenote van appellant in Turkije
woont.
Appellant heeft op 12 september 1995 een aanvraag ingediend om een
uitkering ingevolge de Ioaw naar de grondslag voor een echtpaar.
Gedaagde heeft die aanvraag bij besluit van 24 oktober 1995 afgewezen;
overwogen is dat de echtgenote van appellant in Turkije woont en op
grond van artikel 5, tweede lid, oud, van de Ioaw geen recht op
uitkering heeft.
Tegen dat besluit is namens appellant bezwaar gemaakt, waarbij is
gesteld dat artikel 5, tweede lid, oud, van de Ioaw in strijd is met
internationaal recht en daarom buiten toepassing dient te blijven.
Gedaagde heeft bij besluit van 29 april 1997 dat bezwaar als ongegrond
afgewezen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant
tegen het besluit van 29 april 1997 heeft ingesteld, ongegrond
verklaard. Naar haar oordeel kan het door appellant gedane appel op
bepalingen van internationaal en supranationaal recht niet slagen.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen dat oordeel van de rechtbank
gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 5 (oud) - thans artikel 6 - van de Ioaw heeft geen
recht op uitkering de werkloze werknemer die buiten Nederland woont en
evenmin de echtgenoot indien ten aanzien van deze zich die omstandigheid
voordoet. Is uitsluitend dat laatste het geval, dan wordt de werkloze
werknemer aangemerkt als alleenstaande.
Dit voorschrift brengt dan ook mee dat appellant, wiens echtgenote ook
ten tijde in dit geding van belang buiten Nederland (in Turkije) woont,
op grond van artikel 5 (oud) van de Ioaw geen aanspraak kan maken op een
uitkering naar de grondslag voor een echtpaar.
De Raad stelt vast dat appellant dit niet betwist. Het geschil tussen
partijen spitst zich ook in hoger beroep toe op de vraag of het
bestreden besluit wegens strijd met bepalingen van internationaal of
supranationaal recht niet in stand kan blijven.
Het gaat hierbij om bepalingen (opgenomen in titel III van) het Europees
Verdrag inzake sociale zekerheid van 14 december 1972. Trb. 1976, 158,
(hierna: EVSZ), enkele bepalingen van het Besluit 3/80 van de
Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de
sociale zekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese
Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (PbEG 1983, C 110,
blz. 60), (hierna: Besluit 3/80), alsook om artikel 14 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
a. Het EVSZ
De Raad leidt uit artikel 6, derde lid, van het EVSZ en het gestelde in
Bijlage III, onderdeel II Bilaterale Verdragen, bij het EVSZ af dat in
de relatie tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije
in plaats van dit verdrag Titel III van het Verdrag inzake sociale
zekerheid van 5 april 1966, Trb. 1966, 155, geldt.
Derhalve kan appellant in casu op titel III van het EVSZ geen
rechtsgeldig beroep doen.
b. Het Besluit 3/80
De Raad merkt in de eerste plaats op dat het arrest van het Hof van
Justitie EG van 4 mei 1999 (arrest Sürül), onder andere gepubliceerd
in RSV Actueel 1999/6, in dit geval in zoverre niet van betekenis is
waar, anders dan de relevante feitelijke situatie in dat arrest, de
echtgenote van appellant ten tijde hier van belang niet binnen een
lidstaat van de EU woonachtig was.
Bedoeld arrest laat wel zien dat het beginsel van gelijke behandeling op
het gebied van de sociale zekerheid zoals dat in artikel 3, eerste lid,
van het Besluit 3/80 is neergelegd rechtstreekse werking toekomt.
Aangezien de Raad - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat
appellant onder de personele werkingssfeer van het Besluit 3/80 valt,
kan ook in dit geval het zojuist bedoelde beginsel van gelijke
behandeling worden ingeroepen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit 3/80 hebben personen
die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de
bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, de rechten en
verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder
dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.
Nu op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, (oud) - thans artikel 6
- van de Ioaw de uitkering van een onderdaan van Nederland, wiens
echtgenote in Turkije woont, evenals in het geval van appellant wordt
verleend naar de grondslag voor een alleenstaande, biedt artikel 3,
eerste lid, van het Besluit 3/80 aan appellant geen soelaas.
c. Het IVBPR
In artikel 26 van het IVBPR is het volgende bepaald:
“Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder
discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit
verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert
ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke
grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taak, godsdienst, politieke
of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom,
geboorte of andere status.”
De stelling van appellant is dat van het woonplaatsvereiste, neergelegd
in artikel 5, tweede lid, (oud) Ioaw, een indirect discriminerende
werking naar nationaliteit uitgaat.
De Raad stelt voorop dat van strijd van artikel 5, tweede lid, (oud) -
thans artikel 6 - van de Ioaw met artikel 26, van het IVBPR geen sprake
is, indien de in het eerste lid van dat artikel neergelegde eis van het
hebben van woonplaats binnen Nederland, gezien het doel van de Ioaw, op
redelijke en objectieve gronden gerechtvaardigd is.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
De Ioaw heeft blijkens haar considerans tot doel een inkomensvoorziening
te treffen voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, wier recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
is geëindigd. Zij biedt een uitkering op het niveau van het sociaal
minimum, zolang de werkloosheid voortduurt en zonodig tot het 65ste
levensjaar. Bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van het
recht op uitkering wordt wel rekening gehouden met inkomsten maar niet
met vermogen. Evenals aan de ten tijde hier van belang vigerende
Algemene Bijstandswet ligt aan de Ioaw onder meer het beginsel ten
grondslag dat het recht op uitkering is beperkt tot diegenen die hier te
lande verblijven, kortweg het territorialiteitsbeginsel. Naar het
oordeel van de Raad wordt aldus met het gemaakte onderscheid naar
woonplaats een legitiem doel nagestreefd. De vraag of de wijze van
vaststelling van de grondslag als neergelegd in artikel 5, tweede lid,
oud, van de Ioaw, waarbij geen rekening wordt gehouden met in het
buitenland verblijvende gezinsleden, daartoe een geschikt en
noodzakelijk middel is, beantwoordt de Raad eveneens bevestigend.
d. Het EVRM
Gezien de tekst van artikel 14 van het EVRM acht de Raad hetgeen hij
onder c ter zake van artikel 26 van het IVBPR heeft overwogen, te dezen
onverkort van toepassing.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak
- zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden - dient te
worden bevestigd.
De Raad die, tenslotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht,
beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van
den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van
mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 mei
2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.C. de Wit.
|
|