|
Uitspraak
99/6162 IOAW en 99/6163 IOAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Marum,
appellant,
en
[A.] en [C.], beiden wonende te [B.], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te
Groningen op 15 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 mei 2001, waar appellant zich
heeft doen vertegenwoordigen door K. Koopman, werkzaam bij de gemeente
Marum, en gedaagden in persoon zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerders is
aangeduid, en gedaagden als eisers - ontleent de Raad de volgende, als
vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eisers ontvingen vanaf 1 september 1996 een uitkering op grond van
de Ioaw naar de grondslag voor gehuwden. De aan eiser [eiser] toegekende
WAO-uitkering werd hierop volledig in mindering gebracht.
Naar aanleiding van het vermoeden dat eisers tevens inkomsten uit
werkzaamheden hebben ontvangen is er op 10 juni 1998 door de Sociale
Recherche van de gemeenten Leek, Marum, Grootegast en Zuidhorn een
onderzoek ingesteld.
Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat eisers in de periode 7
juli 1997 tot 1 juli 1998 inkomsten hebben genoten, waarvan zij
verweerders geen volledige mededeling hebben gedaan.
Vervolgens hebben verweerders bij besluit van 11 september 1998 van
eisers over de periode van 7 juli 1997 tot 1 juli 1998 een bedrag van f
7.533,66 aan uitkering op grond van de Ioaw teruggevorderd.
Tegen dit besluit hebben eisers op 30 september 1998 een bezwaarschrift
ingediend bij verweerders.
Dit bezwaar is behandeld in de vergadering van de AWB-commissie van de
gemeente Marum van 10 december 1998. De commissie heeft verweerders
geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren, onder
vermelding van de wettelijke voorschriften.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders, overeenkomstig het advies
van de commissie, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, onder
aanvulling van de motivering."
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van 12 januari 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en een
beslissing gegeven inzake de vergoeding van griffierecht. Zij overwoog
daartoe in hoofdzaak het volgende:
"Aan het besluit tot terugvordering van de uitkering van eisers
ligt een rapportage van de Sociale Recherche ten grondslag van 8
september 1998.
Hieruit komt naar voren dat eisers bij verweerders geen volledige
melding hebben gemaakt van het feit dat zij vanaf 7 juli 1997 inkomsten
hebben uit werkzaamheden.
Derhalve staat vast dat eisers de op hen rustende
inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, Ioaw hebben geschonden. Dat, naar eisers stellen, zij deze inkomsten wel
hebben gemeld bij het GAK kan hieraan niet afdoen. Het betreft hier
immers een wijziging in hun financiλle situatie welke ook van invloed
kan zijn op het recht op Ioaw-uitkering.
De rechtbank stelt vast dat verweerders bij het bestreden besluit
slechts tot terugvordering van de uitkering ingevolge de Ioaw hebben
besloten, zonder dat zij tot herziening van die uitkering over de
bewuste periode zijn overgegaan. Hiermee hebben verweerders gehandeld in
strijd met artikel 17, derde lid, in samenhang met artikel 25, eerste
lid, Ioaw.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het bestreden besluit berust op een
onjuiste wettelijke grondslag."
Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat in het bestreden
besluit wel degelijk sprake is van besluiten tot herziening en
terugvordering, omdat door terug te vorderen tevens wordt aangegeven dat
de verstrekte uitkering wordt herzien. Voorts heeft de rechtbank naar de
mening van appellant in strijd gehandeld met artikel 8:69 van de
Algemene bestuursrecht (Awb) door buiten de grondslag van het
beroepschrift te treden. Ten slotte is de vraag opgeworpen of, voorzover
verzuimd is om de uitkering te herzien, de rechtbank geen toepassing had
kunnen geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb.
De Raad overweegt het volgende.
Een bestuursorgaan dat met toepassing van artikel 25, eerste lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) tot terugvordering wenst over te gaan, dient
op voor een belanghebbende kenbare wijze drie beslissingen te nemen: 1)
een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, of artikel
20 van de Ioaw, 2) een besluit tot terugvordering en 3) een besluit
omtrent de wijze van tenuitvoerlegging van het besluit tot
terugvordering.
De gedingstukken laten geen kenbaar besluit als vermeld onder 1) zien.
Een dergelijk besluit is noch voorafgaand aan, noch gelijktijdig met het
terugvorderingsbesluit genomen. Een en ander betekent dat, nu een
besluit waardoor gedaagden alsnog juridisch in de juiste
uitkeringssituatie worden geplaatst met betrekking tot de periode van 7
juli 1997 tot 1 juli 1998 - in dit geval een besluit tot herziening als
bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Ioaw - ontbreekt, het in
bezwaar en beroep bestreden terugvorderingsbesluit een deugdelijke basis
ontbeert.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid
vastgesteld dat appellant in strijd met de wet heeft gehandeld door
ondanks het vorenstaande het bestreden terugvorderingsbesluit te nemen
en terecht dat besluit vernietigd. Zij is daarbij niet in strijd gekomen
met het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb. De omstandigheid dat
gedaagden geen hierop betrekking hebbende grief in het beroepschrift in
eerste aanleg hebben opgeworpen, acht de Raad niet van belang.
De rechtbank heeft voorts naar het oordeel van de Raad terecht geen
aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in
stand te laten.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
Een aanvullende opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar
acht de Raad hier op zijn plaats. Het is immers nu eerst aan appellant
om het door de rechtbank geconstateerde gebrek in de besluitvorming te
herstellen door alsnog een herzieningsbesluit te nemen en daarbij de in
deze procedure naar voren gebrachte grieven van gedaagden te betrekken.
In dat kader kan appellant dan aan de hand van de grieven van gedaagden
tevens bezien of er in hun geval dringende redenen zijn als bedoeld in
artikel 17, vijfde lid, van de Ioaw om van herziening af te zien. Met
inachtneming van het te nemen herzieningsbesluit kan appellant
vervolgens vaststellen tot welk bedrag over de periode van 7 juli 1997
tot 1 juli 1998 te veel Ioaw-uitkering aan gedaagden is uitbetaald
alsmede of er dringende redenen zijn als bedoeld in artikel 25, vierde
lid, van de Ioaw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering van dat
bedrag af te zien.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb, nu van voor vergoeding in aanmerking komende
kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat van de gemeente Marum een recht van f 675,-- wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van
den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 19 juni 2001.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.C. de Wit.
|
|