|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/2054 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], (volgens eigen opgave) wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 28 februari
2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.
Bij brief van 30 juni 2000 heeft appellant de gronden van het beroep
nader aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij een op
9 augustus 2000 bij de Raad ingekomen brief een reactie heeft gegeven.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 augustus 2002, waar appellant
is verschenen in persoon, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door drs. H.J.M. Dupont, werkzaam bij de gemeente
Heusden.
II. MOTIVERING
De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant stond ten tijde in geding op het adres [adres] te [woonplaats]
ingeschreven in het register van de gemeentelijke basisadministratie van
gedaagdes gemeente. Deze woning behoort in eigendom toe aan een broer
van appellant, die daar met zijn gezin woont. Appellant verblijft
volgens eigen opgave sedert 1994 doorgaans op een vaartuig met een vaste
ligplaats aan de [plaatsnaam] te [naam stad] (gemeente [naam gemeente]).
Op 16 juli 1998 heeft appellant gedaagde verzocht hem, wegens het
bereiken van de maximale uitkeringstermijn ingevolge de
Werkloosheidswet, met ingang van 1 september 1998 in aanmerking te
brengen voor een uitkering krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).
Bij besluit van 22 juli 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellant
afgewezen op de grond dat appellant zijn woonplaats in de gemeente [naam
gemeente] heeft. Gedaagde heeft daarbij tevens aangegeven de aanvraag
ter behandeling naar de gemeente [naam gemeente] door te zenden.
Appellant is voorts bij besluit van 28 oktober 1998 door het
gemeentebestuur van [naam gemeente] met ingang van 1 september 1998 een
Ioaw-uitkering toegekend naar de voor hem geldende grondslag.
Appellant heeft tegen de afwijzing door gedaagde bezwaar aangetekend, en
ook nadien gehandhaafd, omdat hij - kort gezegd - van mening is dat hij
nu eenmaal woonplaats in gedaagdes gemeente heeft en dat ook vastgesteld
wil zien.
Gedaagde heeft het door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 5
januari 1999 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van
belang - het beroep gericht tegen het besluit van 5 januari 1999 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en een beslissing gegeven omtrent
vergoeding van griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde
het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 1998
niet-ontvankelijk had moeten verklaren nu appellant - in financiële zin
- immers precies heeft gekregen wat hij met zijn aan gedaagde gerichte
aanvraag beoogde, zodat appellant geen rechtens te beschermen belang
(meer) had bij zijn bezwaar. De rechtbank heeft voorts met toepassing
van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 22 juli
1998 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van
de rechtbank gekeerd.
De Raad overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 11 van de Ioaw
bestaat het recht op uitkering jegens burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de
artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Het eerste lid van artikel 12 van de Ioaw
bepaalt dat, indien doorzending van de aanvraag naar burgemeester en
wethouders van een andere gemeente heeft plaatsgevonden en deze van
oordeel zijn dat zij evenmin de aanvraag dienen te behandelen, terwijl
er geen zekerheid kan worden verkregen over de in artikel 11 bedoelde
woonplaats, burgemeester en wethouders die de doorgezonden aanvraag
hebben ontvangen, er zorg voor dragen dat het (domicilie)geschil
aanhangig wordt gemaakt.
Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het samenstel van deze
bepalingen en de wettelijke systematiek voort dat slechts één
gemeentebestuur bevoegd is een ingediende aanvraag ingevolge de Ioaw
over eenzelfde tijdvak inhoudelijk te beoordelen (en te honoreren),
zodat door een belanghebbende over dat tijdvak ook slechts jegens dát
gemeentebestuur aanspraken geldend kunnen worden gemaakt.
Vaststaat dat de gemeente [naam gemeente] de aanvraag van belanghebbende
na doorzending door gedaagde in behandeling heeft genomen en daarop in
voor appellant gunstige zin heeft beslist. Aldus hebben burgemeester en
wethouders van de gemeente [naam gemeente] zonder voorbehoud, dat wil
zeggen zonder tevens een domiciliegeschil aanhangig te maken, besloten
tot toekenning van een Ioaw-uitkering aan appellant. Nu tegen dat
toekenningsbesluit door appellant geen bezwaar is gemaakt is dit besluit
rechtens onaantastbaar geworden. Daarmee staat tevens vast dat over
diezelfde periode vanaf 1 september 1998 niet ook nog een ander
gemeentebestuur tot inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van
appellant bevoegd is te achten. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat
appellant in het kader van de toepassing van de Ioaw
reeds hierom geen rechtens te beschermen belang meer had bij (handhaving
van) zijn bezwaar.
De Raad merkt voor dit geding ten overvloede nog op dat, indien een
gemeentebestuur er voor kiest een aanvraag ingevolge de Ioaw
naar een andere gemeente ter behandeling door te zenden, het niet voor
de hand ligt tevens een (inhoudelijk) besluit tot afwijzing van de
aanvraag te nemen.
In het voorgaande ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, zij het op
andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M.
Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M.C.M. Hamer.
|
|