|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 00/5155 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldrop,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 14
augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen. Bij brief van 2 november 2000 heeft hij de gronden van het
hoger beroep toegelicht.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brief
van 19 november 2000 heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2002, waar
appellant, zoals aangekondigd, niet is verschenen, terwijl gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. Kamminga, werkzaam bij de
gemeente Geldrop.
II. MOTIVERING
Appellant heeft tot 1 juli 1994 in dienstbetrekking gewerkt. Aansluitend
heeft hij gedurende de maximale uitkeringsduur een uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet ontvangen. Op 7 mei 1999 heeft hij bij gedaagde een
aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw).
Bij besluit van 11 juni 1999 heeft gedaagde aan appellant en diens
echtgenote met ingang van 1 juni 1999 de gevraagde uitkering toegekend.
Daarbij is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor de echtgenote
van appellant tot haar 60ste jaar de arbeidsplicht geldt omdat zij op 1
mei 1999 nog niet de leeftijd van 57,5 jaar heeft bereikt. Bij besluit
van 28 september 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het
besluit van 11 juni 1999, welk bezwaar zich richtte tegen het opleggen
van de arbeidsplicht aan diens echtgenote, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 september 1999
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De
rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
"In artikel 34, lid 1, van de Ioaw is - kort gezegd - bepaald dat
de in het kader van deze wet toegekende uitkering erop gericht is de
belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te
voorzien. Om die reden dient de belanghebbende - op grond van artikel
35, lid 1, van de Ioaw - aan een aantal arbeidsverplichtingen te voldoen.
Indien de uitkering wordt verleend aan echtgenoten gelden de
verplichtingen voor ieder van hen, aldus het derde lid van artikel 35
Ioaw. Op grond van het vijfde lid van artikel 35 van de Ioaw heeft de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 13 juni 1996 de
zogenaamde Regeling vrijstelling verplichtingen Ioaw en Ioaz vastgesteld
(hierna: de Regeling), laatstelijk gewijzigd bij ministerieel besluit
van 25 februari 1999 (Staatscourant 1999,40). In artikel 1, lid 1, van
de Regeling is - kort gezegd - bepaald dat belanghebbenden die ouder
zijn dan 57,5 jaar vrijgesteld zijn van de verplichtingen zoals bedoeld
in artikel 35, eerste lid, onder a, e en f, van de Ioaw en dat
belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar eveneens
worden vrijgesteld van de overige in artikel 35, eerste lid, van de Ioaw
genoemde verplichtingen.
Niet in geschil is dat eiser op 1 mei 1999 ouder was dan 57,5 jaar en
derhalve op grond van bovenstaande regelingen vrijgesteld was van de in
artikel 35, eerste lid, van de Ioaw genoemde verplichtingen. Eisers
echtgenote, geboren [in] februari 1942, was op 1 mei 1999 (en ook op 1
juni 1999) niet ouder dan 57,5 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank
heeft verweerder op grond van bovenstaande regelgeving in het bestreden
besluit terecht bepaald dat eisers echtgenote onder meer verplicht was
zich als werkzoekende te laten registreren.
Niettemin kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Verweerder
heeft in het bestreden besluit in strijd gehandeld met het in artikel
7:11, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde door op
geen enkele wijze aandacht te besteden aan het bezwaar van eiser, kort
gezegd inhoudende dat verweerders besluit in strijd was met de
rechtszekerheid. Mitsdien komt het bestreden besluit wegens een
ontoereikende motivering voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank zal evenwel de rechtsgevolgen van dat besluit met
toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb geheel in stand laten, nu
niet kan worden gezegd dat de door verweerder toegepaste regelgeving
wegens strijd met de rechtszekerheid buiten toepassing zou moeten worden
gelaten. Het moge zo zijn dat eiser bij zijn uittreden uit het
arbeidsproces in juni 1994 de thans opgelegde arbeidsverplichting niet
heeft kunnen voorzien, maar geen enkele burger mag er op rekenen dat
wet- en regelgeving in de toekomst niet gewijzigd zal worden
respectievelijk dat hij of zij van de toekomstige gevolgen van een
dergelijke wijziging gevrijwaard zal blijven."
Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor
zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
zijn gelaten. Hij heeft in dit verband naar voren gebracht dat zijn
echtgenote een dagtaak heeft aan haar huishoudelijke werkzaamheden die,
gezien haar medische beperkingen, een zware belasting voor haar
betekenen. Voorts acht appellant het onjuist dat veranderingen op het
terrein van de sociale wetgeving wél worden toegepast indien zij
ongunstig uitwerken maar niet indien zij gunstig uitpakken.
Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel
kunnen brengen dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten,
niet in stand kan blijven.
Uitgangspunt van de Ioaw is dat een ieder primair zelf verantwoordelijk
is voor de voorziening in het bestaan. Omdat de Ioaw-uitkering aan
appellant en diens echtgenote gezamenlijk toekomt, betekent dit
uitgangspunt dat ook aan de echtgenote van appellant de arbeidsplicht
dient te worden opgelegd tenzij redenen van medische of sociale aard dan
wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering zich
daartegen zouden verzetten.
De Raad acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan de echtgenote van
appellant de arbeidsplicht om medische redenen niet zou kunnen worden
opgelegd. Niet alleen heeft appellant in zijn bezwaarschrift geen gewag
gemaakt van medische problemen die zijn echtgenote zouden beletten om de
aan haar in het kader van de arbeidsplicht opgelegde voorwaarden na te
komen maar ook heeft hij ter zake geen medische gegevens overgelegd.
Voorts heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting onweersproken
gesteld dat bij de behandeling van het bezwaarschrift aan appellant is
voorgesteld om diens echtgenote door een arts van de GGD te doen
onderzoeken maar dat appellant op dat voorstel niet wilde ingaan. De
Raad houdt het er dan ook voor dat er geen medische redenen zijn die de
echtgenote van appellant belemmeren om de aan haar in het kader van de
arbeidsplicht opgelegde voorwaarden te voldoen, terwijl niet is gesteld
of gebleken dat redenen van sociale aard of gelegen in de aard of het
doel van de uitkering zich daartegen verzetten.
Ten aanzien van de tweede, hiervoor vermelde grief van appellant
overweegt de Raad dat het de regelgever is die regels en daarbij
behorende bepalingen van overgangsrecht stelt. Gedaagde is vervolgens
gehouden bij de toekenning van een uitkering die regels in acht te nemen
en het staat hem niet vrij die regels buiten toepassing te laten.
Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in
tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 24 december 2002.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) mr. M.C.M. Hamer.
|
|