|
Uitspraak
01/5570 IOAW en 01/6261 IOAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellanten heeft mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout,
op de bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen twee door de rechtbank Haarlem op 7 september 2001
gewezen uitspraken, reg.nrs. 01-146 IOAW
en 01-145 IOAW, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27
januari 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Op aanvraag van 26 oktober 1995 is aan appellanten een uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)
toegekend berekend naar de grondslag voor een echtpaar, in aanvulling op
een aan appellant toekomende uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Toeslagenwet (TW).
In samenwerking met de opsporingsdiensten van het GAK en het SFB heeft
de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar vermeende
werkzaamheden van appellanten. In het kader van dit onderzoek, waarvan
de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 17 januari 2000, zijn
appellanten op 16 november 1999 aangehouden voor verhoor, is er dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij derden en zijn getuigen
gehoord. Voorts hebben appellanten op 16 november 1999 en 20 december
1999 tegenover de sociale recherche verklaringen afgelegd.
De conclusie van dit rapport, voorzover thans van belang, is dat
appellant in de periode van augustus 1995 tot 16 november 1999
"zwarte" werkzaamheden heeft verricht bij aannemersbedrijf
[naam aannemersbedrijf] (hierna: VOF) te [vestigingsplaats], daarmee
inkomsten heeft verworven en dat appellanten dat niet hebben gemeld aan
gedaagde.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien bij besluit van 15 december 1999
de uitkering met ingang van 1 november 1999 te beëindigen en voorts bij
twee afzonderlijke besluiten van 24 januari 2000 het recht op uitkering
over de periode van 13 november 1995 tot en met 31 oktober 1999 te herzien en de betaalde
uitkeringen over die periode, f 54.029,88, zowel van appellant als van
appellante terug te vorderen.
Namens appellanten is afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de besluiten
van 24 januari 2000. Bij besluiten van 14 december 2000 heeft gedaagde deze bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank Haarlem heeft het beroep van appellanten bij de aangevallen
uitspraken ongegrond verklaard.
Appellanten hebben deze uitspraken in hoger beroep gemotiveerd
bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot het hoger beroep van appellant.
Allereerst stelt de Raad met de rechtbank vast dat appellant heeft
erkend dat hij in de periode van 1 juni 1998 tot en met 31 oktober 1999 heeft gewerkt en het besluit van 14 december 2000 in
zoverre niet aanvecht.
Het standpunt van gedaagde dat appellant gedurende de periode in geding
de op hem rustende wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden, is
gebaseerd op de ondertekende processen-verbaal van verhoor van [getuige
1] ( hierna: [getuige 1]), [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) en [getuige
3] en op de verklaringen van appellant zelf.
Uit de eerste verklaring van [getuige 1] leidt de Raad af dat appellant
omstreeks augustus 1995 werkzaamheden is gaan verrichten voor de VOF
gedurende een met name genoemd aantal weken per jaar, tegen een
vergoeding van 100 gulden per dag. In de hierop volgende verklaring
geeft hij een overzicht van de door appellant gewerkte weken in de jaren
1995-1999. Hoewel [getuige 2] in zijn eerste verklaring meedeelt dat
appellant eerst per 1997 bij de VOF is komen werken, komt hij reeds
tijdens zijn volgende verhoor gemotiveerd op deze verklaring terug en
sluit hij zich aan bij de verklaring van [getuige 1]. De broer van
appellant, [getuige 3], heeft tijdens verschillende verhoren verklaard
dat appellant bij de VOF werkte tegen 100 gulden per dag. Tijdens één
van deze verhoren verklaart hij tevens dat appellant al bij de VOF werkzaam was toen hijzelf daar per 1 januari 1996 aan het werk ging.
Appellant zelf heeft op 20 december 1999 verklaard, voorzover hier van
belang, dat hij [getuige 1] en [getuige 2] in de periode vóór juni
1998 wel eens geholpen heeft tegen een beloning in natura.
Op basis van deze verklaringen, in onderling verband bezien, is voor de
Raad voldoende komen vast te staan dat appellant in strijd met zijn
inlichtingenverplichting, neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de
Ioaw,
(tekst tot 1 januari 1996) respectievelijk artikel 13, eerste lid, van
de Ioaw (tekst vanaf 1 januari 1996 en
vanaf 1 juli 1997) geen mededeling heeft gedaan van zijn werkzaamheden
en de daaruit voortvloeiende inkomsten over de in geding zijnde periode
met als gevolg dat ten onrechte uitkering is verleend. De Raad is dan
ook van oordeel dat er voldoende grondslag bestond voor herziening van
het recht op uitkering over de periode vanaf 13 november 1995, waartoe
gedaagde vanaf 1 juli 1997 gehouden was, te meer nu exacte gegevens over
de omvang van de werkzaamheden van appellant ontbreken en dit onder de
gegeven omstandigheden geheel voor risico van appellant dient te komen.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Ioaw
(tekst vanaf 1 juli 1997) om van intrekking af te zien is de Raad niet
gebleken.
Met het vorenstaande is tevens gegeven dat wat de terugvordering betreft
van de ten onrechte verstrekte uitkering over het tijdvak van 13
november 1995 tot 1 januari 1996 is voldaan aan de voorwaarden voor
toepassing van artikel 25a, eerste lid, onder b, van de
Ioaw,
met betrekking tot het tijdvak van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 aan
die van artikel 25, eerste lid, onder b, van de Ioaw
en met betrekking tot het tijdvak vanaf 1 juli 1997 aan de voorwaarden
van artikel 25, eerste lid, van de Ioaw.
De Raad is voorts niet gebleken van zodanige uitzonderlijke
omstandigheden dat een dringende reden als bedoeld in artikel 25a, derde lid, van de
Ioaw,
artikel 25, derde respectievelijk vierde lid, van de Ioaw
voor de periode vanaf 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 respectievelijk
vanaf 1 juli 1997, zou moeten worden aangenomen. Gedaagde was derhalve
niet bevoegd geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.
Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief dat de rechtbank
ten onrechte heeft geweigerd [getuige 3] als getuige te horen, is de
Raad van oordeel dat de rechtbank in redelijkheid gebruik heeft gemaakt
van haar in artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde bevoegdheid om af te zien van het horen van een door
een partij meegebrachte getuige. Daarbij heeft de rechtbank kunnen laten
meewegen dat op grond van de jurisprudentie van de Raad aan het
terugkomen van een eerdere, tegenover de sociale recherche, afgelegde
verklaring, als regel niet veel waarde kan worden toegekend. Overigens
is de als getuige aangekondigde [getuige 3] ter zitting van de rechtbank
wel in de gelegenheid gesteld als medegemachtigde/informant een
toelichting te geven.
De Raad heeft geen aanleiding gezien [getuige 3] als getuige op te
roepen. Overigens stond het appellant vrij [getuige 3] ter zitting van
de Raad mee te brengen dan wel als getuige op te roepen. Nu appellant
noch zijn raadsman op de zitting van de Raad aanwezig was, gaat de Raad
ervan uit dat appellant daarvan bewust heeft afgezien.
De Raad komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot de slotsom
dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
Met betrekking tot het hoger beroep van appellante.
Voorzover appellante betwist dat appellant over de in geding zijnde
periode werkzaamheden heeft verricht en hieruit inkomsten heeft
ontvangen, volstaat de Raad met een verwijzing naar hetgeen ten aanzien
van het hoger beroep van appellant is overwogen.
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij geen enkele bemoeienis heeft
gehad met de uitkering en dat het derhalve niet redelijk is dat zij
hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de terugvordering van die
uitkering.
De Raad stelt hieromtrent allereerst vast dat aan appellanten over het
tijdvak in geding een uitkering berekend naar de grondslag voor een
echtpaar is verstrekt onder toepassing van artikel 3 van de
Ioaw,
vanaf 1 januari 1996 artikel 3 van de Ioaw,
en dat appellant, met wie appellante ten tijde in geding een gezin
vormde, inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die voor de bepaling van
het recht op of de hoogte van de uitkering in aanmerking hadden moeten
worden genomen. Vaststaat dat appellant noch appellante van deze
inkomsten opgave heeft gedaan aan gedaagde en eveneens dat is voldaan
aan de voorwaarden voor terugvordering van de ten onrechte verstrekte
uitkering over het tijdvak in geding.
Op grond van artikel 25b, eerste lid, van de
Ioaw
respectievelijk 26, eerste lid, van de Ioaw
(tekst vanaf 1 januari 1996) worden, indien de uitkering met
inachtneming van artikel 3 van de
Ioaw,
respectievelijk artikel 3 van de Ioaw,
is verleend, voor de toepassing van de paragraaf inzake terugvordering
als betrokkene aangemerkt de in die artikelen bedoelde personen. De in
het eerste lid bedoelde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de
terugbetaling van de ten onrechte verstrekte uitkering. Hieruit vloeit
voort dat gedaagde gehouden was de ten onrechte verstrekte uitkering
mede van appellante terug te vorderen.
Voor de terugvordering geldt dat de bij de uitkering begrepen partner
zich niet met vrucht kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten
van de andere partner. De namens appellante gestelde omstandigheid dat
zij niet op de hoogte was van de uitkering, de werkzaamheden en
inkomsten van appellant brengt de Raad dan ook niet tot een ander
oordeel.
Van dringende redenen op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid
toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de
Raad niet gebleken.
De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9
maart 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|