|
Uitspraak
02/572 NIOAW en 04/986 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.M.F. Fabisch, advocaat te Woerden, op bij
beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de
rechtbank Dordrecht op 14 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 01/478,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarbij onder meer zijn
nieuwe besluit op bezwaar van 5 maart 2002 aan de Raad overgelegd.
Namens appellant zijn vervolgens nog stukken aan de Raad overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2004, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fabisch, en waar hij als
getuige heeft meegebracht C.K. van Scherpenzeel. Gedaagde heeft zich daar doen vertegenwoordigen
door A. van Baren, werkzaam bij de gemeente Vianen.
II. MOTIVERING
Appellant ontving sedert 30 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw), berekend naar de
grondslag voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van een heronderzoek heeft de sociale recherche op
verzoek van gedaagde een bijzonder onderzoek ingesteld naar de woon- en
leefsituatie van appellant, die volgens zijn opgave als kostganger
inwoonde bij mevrouw [betrokkene], [adres] te [woonplaats].
In het kader van dit onderzoek hebben appellant en [betrokkene] op 14
juli 2000 ten overstaan van de sociale recherche verklaringen afgelegd,
welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal van verhoor. Uit het
resultaat van het onderzoek heeft gedaagde afgeleid dat er tussen
appellant en [betrokkene] geen kostgangersrelatie bestaat, doch dat
sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3,
derde lid, van de Ioaw.
Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft gedaagde de uitkering van
appellant met ingang van 1 oktober 2000 op die grond beëindigd.
Bij besluit van 13 maart 2001 heeft gedaagde de namens appellant tegen
het besluit van 24 oktober 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Hierbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellant geen
medewerking heeft verleend aan het vaststellen van het inkomen van
[betrokkene], zodat gedaagde niet heeft kunnen bepalen of ten aanzien
van appellant nog een (gedeeltelijk) recht op uitkering is blijven
bestaan.
Namens appellant is tegen het besluit van 13 maart 2001 beroep
ingesteld.
De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak met het standpunt
van gedaagde kunnen verenigen dat ten aanzien van appellant en
[betrokkene] sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van
artikel 3, derde lid, van de Ioaw. De
rechtbank heeft in die uitspraak echter ook overwogen dat gedaagde heeft
nagelaten een onderzoek te verrichten met betrekking tot de hoogte van
het gezamenlijke inkomen van appellant en [betrokkene]. De rechtbank
heeft hieraan de conclusie verbonden dat de beëindiging van de
uitkering van appellant in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel,
zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zij heeft het beroep op die grond gegrond verklaard en het besluit van
13 maart 2001 vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en
proceskosten.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank
gekeerd, voorzover dat inhoudt dat sprake was van een gezamenlijke
huishouding met [betrokkene]. Daarbij is benadrukt dat het gaat om een
kostgangersrelatie welke zeker bij jarenlange bestendiging verder strekt
dan een puur commerciële relatie, maar niet kan worden aangemerkt als
een gezamenlijke huishouding als vorenbedoeld.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft gedaagde op 5
maart 2002 een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit is de uitkering
van appellant ingaande 1 oktober 2000 beëindigd op de grond dat
appellant de in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw,
neergelegde inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gegevens
van het opsporingsonderzoek, waaronder in het bijzonder de door
appellant en [betrokkene] ten overstaan van de sociale recherche
afgelegde verklaringen, genoegzaam naar voren is gekomen dat appellant
ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel
3, derde lid, van de Ioaw voerde met
[betrokkene] en dat tussen hen geen sprake was van een
kostgangersrelatie.
Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting van de zijde van appellant
en door [betrokkene] nog naar voren is gebracht is de Raad niet gebleken
dat die verklaringen onder ontoelaatbare druk tot stand zijn gekomen en
dat ze in essentie geen juiste weergave bevatten van hetgeen ten
overstaan van de sociale recherche is verklaard. Appellant en
[betrokkene] moeten dan ook aan hun verklaringen van 14 juli 2000 worden
gehouden.
De Raad kan hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft
overwogen omtrent de gezamenlijke huishouding van appellant en
[betrokkene] en de door appellant gestelde kostgangersrelatie volledig
onderschrijven. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.
Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst behoeft op zichzelf nog
geen belemmering te zijn voor het bestaan van een kostgangersrelatie,
indien althans op andere wijze kan worden aangetoond dat tegen betaling
of enige andere concrete prestatie, onderdak en verzorging wordt
verschaft ter uitvoering van een zakelijke overeenkomst. Daarvan is in
dit geval echter niet gebleken. De Raad is van oordeel dat de situatie
waarin appellant en [betrokkene] verkeerden ver uitstijgt boven hetgeen
in een commerciële kostgangersrelatie gebruikelijk is. Hierbij doelt de
Raad vooral op de omstandigheid dat uit de verklaringen blijkt dat
appellant en [betrokkene] in aanzienlijke mate zorgdragen voor elkaar en
er geen duidelijke afbakening is in hun woon- en leefsituatie, zoals
gebruikelijk bij een kostgangersrelatie. Zo doen appellant en
[betrokkene] gezamenlijk boodschappen, koken zij om beurten, gebruiken
zij alle maaltijden gezamenlijk en zijn zij meerdere malen samen met
vakantie naar het buitenland geweest. Verder gebruikt appellant ook
vrijwel alle ruimtes van het huis. In dit verband overweegt de Raad ten
slotte dat het door appellant in hoger beroep overgelegde
kamerhuurcontract reeds vanwege de ingangsdatum van 1 november 2003 voor
dit geding geen betekenis kan hebben.
Gezien het voorgaande kan het hoger beroep niet slagen, zodat de
aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigd moet worden.
Met betrekking tot het besluit van gedaagde van 5 maart 2002 overweegt
de Raad het volgende.
De Raad stelt eerst vast dat dit besluit een aanvulling is op het
besluit van 13 maart 2001, in zoverre het de beëindiging van de
uitkering per 1 oktober 2000 betreft. De Raad merkt het besluit van 5
maart 2002 aan als een besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19
van de Awb, zodat de Raad dit besluit op grond van artikel 6:24 van de
Awb bij zijn beoordeling dient te betrekken.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak diende gedaagde, uitgaande
van een - ook door de rechtbank aangenomen - gezamenlijke huishouding
van appellant met [betrokkene], te onderzoeken of een recht op uitkering resteerde,
rekening houdend met het inkomen van [betrokkene]. In het besluit van 5
maart 2002 heeft gedaagde overwogen dat appellant in de gelegenheid is
gesteld inkomensgegevens van [betrokkene] te verstrekken, maar dat appellant onder verwijzing naar
het lopende hoger beroep die gelegenheid niet heeft willen benutten.
Appellant heeft dit in hoger beroep niet betwist. Als gevolg daarvan
heeft gedaagde terecht vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan
de in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw
neergelegde inlichtingenverplichting als gevolg waarvan niet kon worden
vastgesteld of appellant per 1 oktober 2000 nog recht had op uitkering.
Gedaagde heeft de beëindiging van de uitkering van appellant per die
datum derhalve terecht gehandhaafd.
Het beroep van appellant, voorzover dit geacht wordt gericht te zijn
tegen het besluit van 5 maart 2002, moet dan ook ongegrond worden
verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen
het besluit van 5 maart 2002, ongegrond.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. C. van Viegen en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli
2004.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake
van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip
gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift
van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie
(gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van
Beroep in te zenden.
|
|