|
Uitspraak
02/2828 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft zijn echtgenote, S. Stokman-Yazar, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2002,
reg.nr. IOAW 01/2293.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar appellant
niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1 juli 1999 een uitkering
op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), berekend naar de
grondslag voor gehuwden.
Bij besluit van 18 april 2000 heeft gedaagde het recht op uitkering met
ingang van 1 april 2000 opgeschort omdat bij gedaagde onduidelijkheid
was ontstaan omtrent de hoogte van de verdiensten van appellant en zijn
echtgenote. Bij besluit van 13 februari 2001 heeft gedaagde het bezwaar
van appellant tegen het opschortingsbesluit ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft bij uitspraak van 23 november 2001 het beroep van
appellant tegen het besluit van 13 februari 2001 gegrond verklaard en
dat besluit vernietigd. Gedaagde heeft niet opnieuw op het bezwaar van
appellant tegen het opschortingsbesluit beslist.
Op grond van ontvangen looninformatie heeft gedaagde bij besluit van 29
mei 2001 met toepassing van artikel 17, vierde lid, van de Ioaw het
recht op uitkering met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken en bij
afzonderlijk besluit van eveneens 29 mei 2001 met toepassing van artikel
17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw het recht op uitkering
over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 maart 2000 herzien
(lees: ingetrokken) en met toepassing van artikel 25, eerste lid, van de
Ioaw de uitkering over die periode tot een bedrag van f 10.305,19
teruggevorderd.
Bij besluit van 25 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant tegen de besluiten van 29 mei 2001 ongegrond verklaard en -
met verwijzing naar het preadvies van de Algemene Beroepscommissie van
28 augustus 2001 - de uitkering met ingang van 1 april 2000 beëindigd
en de intrekking en de terugvordering over de periode van 1 oktober 1999 tot en met 31 maart 2000 gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 25 september 2001 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging van de uitkering met ingang van 1 april 2000 in het
besluit op bezwaar van 25 september 2001 heeft gedaagde blijkens het
hiervoor genoemde preadvies gebaseerd op het standpunt dat de
verdiensten van appellant en zijn echtgenote meer bedroegen dan de
toepasselijke grondslag van de uitkering.
De Raad merkt daaromtrent allereerst op dat, nu gedaagde aanvankelijk
(in het primaire besluit van 29 mei 2001) had gekozen voor intrekking
voortbouwende op het bij het besluit van 13 februari 2001 in bezwaar
gehandhaafde opschortingsbesluit van 18 april 2000 en voorts ten tijde
van het nemen van het besluit op bezwaar van 25 september 2001 bij de
rechtbank nog beroep aanhangig was tegen het besluit van 13 februari
2001, van gedaagde verwacht had mogen worden dat hij deze wijziging in
de grondslag op een meer inzichtelijke wijze aan appellant kenbaar had
gemaakt dan bij het besluit van 25 september 2001 is geschied. Blijkens
het hogerberoepschrift bestaat bij appellant ook thans nog
onduidelijkheid omtrent de gevolgen van de vernietiging door de
rechtbank van het besluit van 13 februari 2001. Voor het verbinden van
gevolgtrekkingen aan het voorgaande ziet de Raad echter geen aanleiding,
nu een dergelijke wijziging van de grondslag op zichzelf niet
ongeoorloofd is.
De Raad onderschrijft vervolgens het oordeel van de rechtbank dat de
gedingstukken geen aanknopingspunt bieden om de beëindiging met ingang
1 april 2000 onjuist te achten.
Dat geldt ook voor de intrekking over de periode van 1 oktober 1999 tot
en met 31 maart 2000. Uit de gegevens van het onderzoek naar de hoogte
van de verdiensten van appellant en zijn echtgenote blijkt dat deze in
die periode hoger waren dan de toepasselijke grondslag. Gedaagde heeft
verder terecht vastgesteld dat appellant van deze inkomsten onvolledige
opgave aan gedaagde heeft gedaan, zodat hij niet (volledig) heeft
voldaan aan de ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaw op hem
rustende inlichtingenplicht. Gedaagde was derhalve op grond van artikel
17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw gehouden om tot intrekking
over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde
lid, van de Ioaw om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien, is de
Raad niet gebleken.
Met het voorgaande is vervolgens gegeven dat is voldaan aan de
voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 25, eerste lid, van
de Ioaw.
De grief van appellant dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet
juist is slaagt niet, omdat appellant onvoldoende heeft onderbouwd
waarom dat het geval zou zijn.
Van dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw
om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad
evenmin gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. 't
Hooft en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr.
I.D.Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober
2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) I.D. Veldman.
|
|