|
Uitspraak
02/4749 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J. Poortinga, advocaat te Hoogezand, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 5
augustus 2002, reg.nr. 01/840 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn bij brief van 21 oktober 2004 nog nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 november 2004, waar appellante
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Poortinga, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H.P.H. van Dijk,
werkzaam bij de gemeente Menterwolde.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 1 juli 1990 naast een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) naar de grondslag voor een
alleenstaande, welke grondslag met ingang van 6 mei 1992 is gewijzigd in
de grondslag voor een éénoudergezin. Voorts ontving appellante ter
aanvulling op deze uitkeringen vanaf 1 januari 1998 een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Naar aanleiding van een tip heeft het Samenwerkingsverband Sociale
Recherche Oost-Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid
van de aan appellante verstrekte uitkeringen. In het kader van dit
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een ongedateerd
rapport, nr. 01/00-08ME, is appellante verhoord, is dossieronderzoek
verricht en zijn getuigen gehoord. De conclusie van dit rapport,
voorzover van belang, is dat appellante vanaf 1 januari 1996 tot aan de
onderzoeksdatum paardrijlessen heeft gegeven waarvoor zij f 15,-- per
half uur ontving en dat appellante vanaf februari 2000 tot aan de
onderzoeksdatum een paard van een kennis bij haar op stal had staan
waarvoor zij een vergoeding ontving van f 350,-- per maand. Van
werkzaamheden of inkomsten tijdens de in geding zijnde uitkeringsperiode
heeft appellante geen melding gemaakt bij gedaagde.
Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien bij besluit van 9 april 2001 het
recht op uitkering van appellante met ingang van 29 september 1995 in te
trekken en de betaalde uitkering over de periode van 29 september 1995
tot 1 maart 2001 tot een bedrag van f 77.902,77 van haar terug te
vorderen.
Bij besluit van 21 augustus 2001, voorzover van belang, heeft gedaagde
het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2001 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover van belang, heeft de rechtbank
het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van bovenvermelde onderzoeksbevindingen is voor de Raad
voldoende komen vast te staan dat appellante vanaf 1 januari 1996 tot 1
maart 2001 met een bepaalde regelmaat paardrijlessen heeft gegeven dan
wel toezicht heeft gehouden bij het berijden van paarden door derden.
Dit valt niet alleen af te leiden uit de door haar afgelegde verklaring,
maar ook uit de beschikbare agenda’s van appellante, waarin zij van
die werkzaamheden en daaruit verkregen inkomsten melding heeft gemaakt.
Voorts is niet in geding dat appellante vanaf februari 2000 tot 1 maart
2001 een paard van een kennis bij haar op stal had staan waarvoor zij
een vergoeding ontving van f 350,-- per maand. Die feiten en
omstandigheden moeten naar het oordeel van de Raad worden beschouwd als
relevante gegevens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Ioaw (tekst vanaf 1 januari 1996 en vanaf 1 juli 1997), waarvan het
appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van
invloed kunnen zijn op het recht op uitkering. Het gaat hier naar het
oordeel van de Raad om op geld waardeerbare activiteiten en
faciliteiten, ongeacht of daar een vergoeding tegenover stond. Voorzover
bij appellante nog enige twijfel zou hebben bestaan over de relevantie
van de door haar ontplooide activiteiten voor de voortzetting van haar
Ioaw-uitkering, had het op haar weg gelegen om gedaagde over het een en
ander in te lichten, waarna het aan gedaagde zou zijn geweest de
gevolgen voor de Ioaw-uitkering te beoordelen.
Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellante van 1
januari 1996 tot 1 maart 2001 tekort is geschoten in de nakoming van de
ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaw op haar rustende
inlichtingenverplichting.
De Raad acht evenwel onvoldoende feitelijk grondslag aanwezig voor de
conclusie dat appellante reeds vanaf 29 september 1995 werkzaamheden
heeft verricht. Dit betekent dat het besluit van 21 augustus 2001 in
zoverre op een onjuiste grondslag berust en wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te
worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit
in stand is gelaten.
Gedaagde heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de inkomsten
van appellante in de periode in geding hoger waren dan de voor
appellante geldende grondslag en heeft om die reden de uitkering
ingetrokken.
Namens appellante is in dit verband echter subsidiair gesteld dat als
zij de inlichtingenverplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan
haar over die periode aanvullend Ioaw-uitkering zou zijn verstrekt,
zodat gedaagde ten onrechte tot volledige intrekking en terugvordering
is overgegaan. In dat verband is namens haar reeds in de bezwaarfase
gewezen op de door appellante beschikbaar gestelde agenda’s en is in
hoger beroep aan de hand van die agenda’s een reconstructie van
gewerkte uren en verkregen verdiensten gemaakt. Ook gedaagde heeft
aanvankelijk een dergelijke reconstructie gemaakt, doch heeft deze
uiteindelijk niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Verder
is erop gewezen dat de inkomsten uit het op stal houden van een paard
bekend zijn, en dat de hoogte van die inkomsten als zodanig niet in
geschil is.
Desgevraagd is van de kant van gedaagde meegedeeld dat er geen concrete
aanwijzingen zijn voor de veronderstelling dat in de perioden waarop de
agenda’s zien, te weten 1996, 1998 en van 19 juli 1999 tot 1 maart
2001, meer of andere werkzaamheden zijn verricht dan uit de agenda’s
blijkt. Ook de Raad heeft daarvoor in de gedingstukken geen
aanknopingspunten kunnen vinden.
Naar het oordeel van de Raad is derhalve genoegzaam aannemelijk gemaakt
dat appellante in 1996, 1998 en in de periode van 19 juli 1999 tot 1
maart 2001 niet meer of andere activiteiten heeft verricht dan is
weergegeven in genoemde agenda’s.
Gelet op het voorgaande kan niet staande worden gehouden dat appellante
over laatstgenoemde perioden inkomsten heeft genoten die hoger waren dan
de voor appellante geldende grondslag. Evenmin kan worden gesteld dat
met inachtneming van de agenda’s het recht op bijstand van appellante
over die perioden niet meer zou zijn vast te stellen. In dit verband
merkt de Raad nog op dat hem de door appellante gestelde vergoeding van
f 15,-- per halfuur, mede gelet op de aard van de werkzaamheden, ten
tijde in geding niet onredelijk laag voorkomt.
Met betrekking tot de perioden waarvan geen agenda’s beschikbaar zijn,
te weten 1997 en van 1 januari 1999 tot 19 juli 1999 ontbreekt echter
elke vorm van administratie met betrekking tot werkzaamheden, geboden
faciliteiten en daaruit verkregen inkomsten. De Raad is van oordeel dat
ten aanzien van deze perioden als gevolg van schending van de
inlichtingenverplichting het recht op uitkering niet is vast te stellen.
Dit betekent dat voor deze perioden voldoende grondslag bestond voor
intrekking van het recht op uitkering, waartoe gedaagde vanaf 1 juli
1997 gehouden was. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17,
vijfde lid, van de Ioaw (tekst vanaf 1 juli 1997) om van herziening af
te zien is de Raad niet gebleken.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagde ten onrechte tot -
volledige - intrekking van het recht op uitkering over de gehele periode
van 1 januari 1996 tot 1 april 2001 is overgegaan. Daarmee is tevens de
grond aan het terugvorderingbesluit komen te ontvallen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 augustus 2001 en bepaalt dat de
rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voorzover het ziet op de
intrekking van het recht op bijstand over het jaar 1997 en de periode
van 1 januari 1999 tot 19 juli 1999;
Bepaalt dat gedaagde voor het overige een nieuw besluit op bezwaar neemt
met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Menterwolde aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Menterwolde aan appellante het in beroep en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november
2004.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|