|
Uitspraak
02/4792 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. T. Keidel, werkzaam bij CNV Rechtshulp te
Drachten, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Arnhem van 27 augustus 2002, reg.nr. 00/1642 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 14 september 2004. Appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. D.W.M. Koekoek, eveneens werkzaam bij
CNV Rechtshulp te Drachten. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen
door N.F.K. Tempelman, werkzaam bij de gemeente Ede.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting,
uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Bij brief van 24 januari 1994 heeft de toenmalige werkgever van
appellant, [naam werkgever] te [vestigingsplaats], de afspraken
bevestigd die tussen de werkgever en appellant zijn gemaakt met
betrekking tot de beëindiging van het dienstverband van appellant per 1
juli 1994. Op 26 januari 1994 hebben de werkgever en appellant die brief
voor akkoord ondertekend. Een van de gemaakte afspraken houdt in dat, in
afwijking van het geldende Sociaal Plan, aan appellant over de periode
van 1 juli 1999 tot 1 juli 2006 uit een te vestigen stamrecht een
aanvulling op zijn uitkering(en) ingevolge de socialezekerheidswetten
wordt toegekend van f 24.000,-- bruto per jaar. Ter uitvoering daarvan
heeft [naam werkgever] ten behoeve van appellant een
lijfrenteverzekering afgesloten in de vorm van een stamrecht, en een
bedrag van f 101.215,-- aan de verzekeraar betaald. Bij het afsluiten
van de verzekering is een overdrachtsclausule opgenomen, inhoudende dat
de rechten en plichten daaruit worden overgedragen aan appellant.
Appellant ontvangt uit de verzekering sinds 25 juli 1999 elke drie
maanden een uitkering van f 6.000,-- bruto.
Op 4 juni 1999 heeft appellant, nadat hij na het einde van het
dienstverband bij [naam werkgever] de maximale duur van zijn (verlengde)
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) had bereikt, bij gedaagde
een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) aangevraagd. Appellant
ontving op dat moment tevens een uit een later dienstverband bij een
andere werkgever voortvloeiende uitkering ingevolge de WW van f 1.264,25
bruto per maand.
Bij besluit van 5 oktober 1999, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van
26 juli 2000, heeft gedaagde de aanvraag om een uitkering ingevolge de
Ioaw afgewezen op de grond dat het totale inkomen van appellant per
maand hoger is dan de voor een echtpaar geldende grondslag. Daarbij
heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de uitkering uit hoofde
van het stamrecht moet worden aangemerkt als inkomen in verband met
arbeid.
In beroep tegen het besluit van 26 juli 2000 heeft appellant aangevoerd
dat een in het kader van de beëindiging van het dienstverband aan de
werknemer toegekende uitkering ineens, niet als inkomen in verband met
arbeid dient te worden beschouwd, indien de werknemer kan aantonen dat
hij bij de beëindiging van het dienstverband de vrije keuze had tussen
de uitbetaling, aan hem, van het bedrag ineens of de aankoop, door de
werkgever, van een stamrecht. Daarbij heeft appellant zich beroepen op
een brief van 7 december 1988 van de Hoofddirecteur Bijstand en
Voorzieningen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Directeur van het
Centraal Bureau Divosa te Utrecht. In hoger beroep heeft appellant zich
in dit verband tevens beroepen op een brief van 30 december 1997 van de
Directeur Bijstandszaken van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan een gemeente. Nu uit de gedingstukken duidelijk
blijkt dat hij de hiervoor bedoelde vrije keuze inderdaad had dient,
aldus appellant, de uitkering uit hoofde van het stamrecht niet te
worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid (maar betreft het
inkomen uit vermogen).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 26 juli 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
weliswaar het standpunt van appellant onderschreven dat doorslaggevend
is of al dan niet sprake is geweest van een vrije keuze, maar heeft
vervolgens geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen
dat daarvan in zijn geval sprake was.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit oordeel van
de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaw bepaalt -
voorzover hier van belang - dat de werkloze werknemer en de echtgenoot
met of zonder kinderen recht op uitkering heeft, indien het inkomen per
maand minder bedraagt dan de overeenkomstig artikel 5, derde lid, aanhef
en onder a, van de Ioaw door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid vastgestelde grondslag.
In artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaw is bepaald dat
voor de werkloze werknemer en de echtgenoot als inkomen wordt aangemerkt
de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven van hemzelf en van zijn echtgenoot. Ingevolge artikel 8,
tweede lid, van de Ioaw worden - kort gezegd - bij algemene maatregel
van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het - in
artikel 8, tweede lid, van de Ioaw zijn (delegatie)grondslag vindende en
met ingang van 1 januari 1987 in werking getreden - Inkomensbesluit Ioaw
wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of
beroepsleven verstaan: loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt
genoten, voorzover niet begrepen onder artikel 7, eerste lid, aanhef en
onderdelen a tot en met e, van het Inkomensbesluit Ioaw.
Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het
Inkomensbesluit Ioaw wordt, in afwijking van artikel 7, eerste lid, van
het Inkomensbesluit Ioaw, een eenmalige uitkering welke na beëindiging
van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging
wordt betaald, niet als inkomen in verband met arbeid beschouwd.
In geschil is of de - (drie)maandelijkse - uitkering die appellant
ontvangt uit hoofde van het door [naam werkgever] ten behoeve van hem
gevestigde stamrecht, wel of niet onder het toepassingsbereik van
artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw valt.
De Raad stelt in dat verband allereerst vast dat de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid in de nota van toelichting bij artikel
7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw het volgende heeft vermeld:
“Artikel 7, eerste lid
In het eerste lid worden de inkomensbestanddelen aangewezen welke als
inkomen in verband met arbeid moeten worden aangemerkt. Het gaat hier om
een limitatieve opsomming van inkomensbestanddelen, waarmee bij de
vaststelling van de uitkering volledig rekening moet worden gehouden.
(...)
Onderdeel g
Onder loon uit vroegere dienstbetrekking wordt verstaan alle voordelen
welke een werknemer uit vroegere dienstbetrekking geniet. Te denken valt
hierbij aan periodieke uitkeringen, die voortvloeien uit een stamrecht
dat als schadeloosstelling voor gederfd inkomen is toegekend. Een en
ander voor zover deze inkomenbestanddelen niet reeds op grond van de
onderdelen a, b, c, d, e en f als inkomen in verband met arbeid worden
beschouwd.”
Hieruit blijkt dat de besluitgever als uitgangspunt heeft genomen dat
periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht dat in het kader van
de beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer wordt
toegekend, moeten worden aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking en derhalve als inkomen in verband met arbeid in het
bedrijfs- of beroepsleven.
De Raad stelt vervolgens vast dat de in artikel 7, tweede lid, aanhef en
onder b, van het Inkomenbesluit Ioaw op de hoofdregel van artikel 7,
eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw gemaakte, duidelijk omschreven
uitzondering - slechts - ziet op een eenmalige uitkering die aan de
werknemer wordt betaald, en derhalve niet op een bedrag dat - in het
kader van de beëindiging van de dienstbetrekking - door de werkgever
rechtstreeks wordt betaald aan de verzekeraar bij welke de
lijfrenteverzekering wordt afgesloten. Het ligt overigens ook niet voor
de hand om aan te nemen dat de besluitgever voor ogen heeft gestaan om
de categorie periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht die in
de toelichting bij artikel 7, eerste lid, onder g, van het
Inkomensbesluit Ioaw uitdrukkelijk (en als enig) voorbeeld van loon uit
vroegere dienstbetrekking wordt genoemd, vervolgens in artikel 7, tweede
lid, van het Inkomensbesluit Ioaw (weer) buiten de werkingssfeer van
artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw te brengen.
Voorzover appellant, mede met een beroep op de uitspraak van de
rechtbank
’s-Hertogenbosch van 18 februari 2002 (LJN AE2504), heeft willen
betogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Inkomensbesluit
Ioaw moet worden afgeleid dat de besluitgever een ruimere uitzondering
heeft willen maken dan in de tekst van artikel 7, tweede lid, onder b,
van het Inkomensbesluit Ioaw tot uitdrukking is gebracht, kan de Raad
hem daarin op grond van de volgende overwegingen niet volgen.
In een brief van 22 oktober 1986 aan de voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17 475, nr.
12) naar aanleiding van een mondeling overleg over het
concept-Inkomensbesluit Ioaw en het - gelijkluidende -
concept-Inkomensbesluit Toeslagenwet heeft de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer het volgende opgenomen:
“Tijdens het mondeling overleg hebben de heren Weijers en Linschoten
gevraagd de mogelijkheden te bezien van het op andere wijze in de
inkomenstoets betrekken van bovenwettelijke uitkeringen. Na bestudering
van de door deze leden gedane suggesties is het kabinet tot de conclusie
gekomen dat het niet raadzaam is wijziging te brengen in de op dit punt
in het concept-Inkomensbesluit neergelegde voornemens. Wel is het naar
de mening van het kabinet mogelijk om - zonder aantasting van de
essentie van de TW en de Ioaw als minimumbeschermingsregeling - een
uitkering ineens die bij de beëindiging van de dienstbetrekking ter
vrije besteding van de werknemer komt, niet als inkomen aan te merken.
(...)
Het kabinet heeft zich beraden of nog op een andere wijze kan worden
tegemoet gekomen aan de (...) wens om aanvullingen op
loondervingsuitkeringen niet in aanmerking te nemen bij de beoordeling
van het recht op toeslag en Ioaw-uitkering. In het kader van
afvloeiingsregelingen kunnen uitkeringen ineens worden verstrekt, welke
ter vrije besteding van de werknemers komen. Op grond van het
inkomensbesluit, zoals dat (...) in concept aan het parlement is
gezonden, worden dergelijke uitkeringen niet in aanmerking genomen,
indien deze worden verstrekt vóór de dienstbetrekking is geëindigd.
Eenmalige uitkeringen na beëindiging van de dienstbetrekking worden wel
in aanmerking genomen. Het kabinet is bereid om laatstbedoelde
uitkeringen eveneens buiten beschouwing te laten.
(...)
Indien het gaat om definiëring van het inkomen in het inkomensbesluit
moet er een grens worden aangegeven. In een aantal gevallen is deze
grens niet eenvoudig vast te stellen. Te denken valt hierbij aan het
verschil in benadering dat mogelijk is ten aanzien van particuliere
verzekeringsuitkeringen. Het kabinet is van oordeel dat in het
overeenkomstig het voorgaande gewijzigde Inkomenbesluit de grens zodanig
getrokken wordt dat de essentie van de TW en de Ioaw, te weten het
verschaffen van een inkomensgarantie tot het minimumloon per
tijdsperiode, in stand blijft. Een verdergaande verruiming door ook
periodieke aanvullingen op loondervingsuitkeringen niet als inkomen aan
te merken, zou deze essentie niet langer intact laten.”
Uit de hiervoor weergegeven passages blijkt niet meer, dan dat de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft beoogd niet
alleen een vóór de beëindiging van de dienstbetrekking aan de
werknemer betaalde eenmalige uitkering buiten het inkomensbegrip van de
Ioaw en het Inkomensbesluit Ioaw (en de Toeslagenwet en het
Inkomensbesluit Toeslagenwet) te houden, maar ook een na de beëindiging
van het dienstverband aan de werknemer betaalde eenmalige uitkering.
Daarmee wordt voor beide gevallen bereikt dat de uitkering en ook de
eventuele opbrengsten daaruit in het vermogen van de werknemer vloeien,
zodat geen sprake is van inkomen in verband met arbeid. Mede gelet op de
uitdrukkelijke verwijzing in dit verband door de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de ratio van de Ioaw (en de
Toeslagenwet), is voor een verder strekkende uitleg geen plaats.
Naar aanleiding van het beroep van appellant op de hiervoor bedoelde
brieven van 7 december 1988 en 30 december 1997 merkt de Raad allereerst
op dat de brief van 7 december 1988 zich niet bij de gedingstukken
bevindt. Daarbij bevindt zich wel een gedeelte uit de Handreiking
Wetstechnische oplossingen van Divosa van 15 februari 2000, waarin het
volgende is opgenomen:
“In art. 7, tweede lid, onderdeel b, Inkomensbesluit Ioaw is bepaald,
dat niet als inkomen in verband met arbeid wordt beschouwd: een
eenmalige uitkering welke na beëindiging van het dienstverband aan een
werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald. Het kan daarbij
gaan om een bedrag aan schadeloosstelling of een voor dat bedrag te
kopen periodieke uitkering. Deze uitleg wordt door het Ministerie van
ZSW bevestigd in de brief van 7 december 1988 aan Divosa.
Hieruit kan worden gedestilleerd, wanneer een afkoopsom in de vorm van
een tot uitbetaling komende lijfrente niet is aan te merken als inkomen
in de zin van de Ioaw. Hiervoor moet aan de volgende drie voorwaarden
zijn voldaan:
- De voor de aankoop van de lijfrente bestemde gelden werden voorafgaand
aan zowel de WW-periode als de Ioaw-periode verstrekt.
- De lijfrenteregeling vloeit niet voort uit een arbeidsovereenkomst of
CAO.
- De aankoop van een lijfrente geschiedt geheel vrijwillig. Ofwel: het
is de werknemer ook toegestaan de afkoopsom niet aan te wenden voor de
aankoop van een lijfrente en naar eigen inzicht te besteden.”
In de brief van 30 december 1997, die zich wel bij de gedingstukken
bevindt, is het volgende vermeld:
“Wanneer een werknemer een uitkering ineens ontvangt in verband met de
beëindiging van de dienstbetrekking en hij deze uitkering geheel naar
vrij keuze kan besteden, wordt deze uitkering tot het vermogen gerekend.
(...) wanneer de vrij besteedbare uitkering gebruikt wordt voor het
kopen van een stamrecht of lijfrentepolis om daaruit een periodieke
uitkering te bedingen, blijft die uitkering ook buiten beschouwing bij
de inkomenstoets van de Ioaw. Deze uitkering is immers het resultaat van
een eigen keuze tot besteding van buiten beschouwing gelaten vermogen.
(...)
Voor de ex-werknemer is het belangrijk dat deze bij een beroep op de
Ioaw aan de gemeente kan aantonen wat de oorsprong van de periodieke
uitkering is, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van de
voormalige werkgever.”
Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen kan de Raad,
daargelaten hoe het in de brieven van 7 december 1998 en 30 december
1997 verwoorde standpunt precies moet worden geduid en eveneens
daargelaten of deze ambtelijke brieven (ook) het standpunt van de
verantwoordelijke bewindspersoon zelf weergeven, aan die brieven niet de
door appellant gewenste betekenis toekennen. Het gaat hier immers om een
na de totstandkoming van het Inkomensbeluit Ioaw (en het Inkomensbesluit
Toeslagenwet) gegeven interpretatie van het in begrip: een eenmalige
uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan een
werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald. Gelet op de
duidelijke tekst van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, en tweede
lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw (en het
Inkomensbesluit Toeslagenwet) en op bedoeling van de besluitgever zoals
naar voren komend uit de totstandkomingsgeschiedenis, kan de door
appellant voorgestane interpretatie achteraf daarin geen verandering
brengen. Indien de besluitgever (of eventueel de wetgever) een
verruiming als door appellant voorgestaan wenselijk zou achten, vergt de
verwezenlijking daarvan wijziging van de desbetreffende algemeen
verbindende voorschriften.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bedrag waarvoor het ten
behoeve van appellant gevestigde stamrecht is aangekocht, niet kan
worden aangemerkt als een eenmalige uitkering in de zin van artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaw. Daarmee is
gegeven dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de
uitkeringen uit hoofde van het stamrecht moeten worden aangemerkt als
inkomen in verband met arbeid, zodat aan appellant terecht geen
uitkering ingevolge de Ioaw is toegekend. Of al dan niet sprake is
geweest van een vrije keuze van appellant als hiervoor bedoeld, is
derhalve niet van belang.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van
de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I.
’t Hooft en mr. W.I. Degeling als leden, in tegenwoordigheid van B.M.
Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19
april 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|