|
Uitspraak
03/2444 IOAW en 03/2447 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Marum,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Groningen van 8 april 2003, reg.nr. 01/908 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad
een nader stuk ingezonden.
Appellanten hebben een nader stuk ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21
maart 2005, waar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sedert 1 september 1996 een uitkering op grond van
de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw) naar de grondslag voor gehuwden, ter
aanvulling op een aan appellant verstrekte uitkering ingevolge de Wet op
de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Toeslagenwet (TW).
Bij besluit van 11 september 1998 heeft gedaagde de over de periode van
7 juli 1997 tot 1 juli 1998 verstrekte Ioaw-uitkering tot een bedrag van
f 7.533,66 ( 3.418,64) van appellanten teruggevorderd. Bij besluit
van 12 januari 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 11
september 1998 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van
15 november 1999, reg.nr. 99/126 NABW, het tegen het besluit van 12
januari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, voorzover hier van
belang, dat is komen vast te staan dat appellanten geen volledige opgave
aan gedaagde hebben gedaan van de werkzaamheden van appellante en de
daaruit verworven inkomsten. Aldus hebben appellanten de ingevolge
artikel 13, eerste lid, van de Ioaw op hen rustende
inlichtingenverplichting geschonden. De rechtbank heeft het besluit van
12 januari 1999 evenwel vernietigd op de grond dat gedaagde niet een
gelijktijdig of voorafgaand genomen herzieningsbesluit aan het
terugvorderingsbesluit ten grondslag heeft gelegd. De Raad heeft bij
uitspraak van 19 juni 2001 (LJN AD4883) de uitspraak van de rechtbank
van 15 november 1999 bevestigd en ter aanvulling hierop bepaald dat
gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft gedaagde bij besluit
van 25 juli 2001 het recht op uitkering ingevolge de Ioaw van
appellanten over de periode van 7 juli 1997 tot 1 juli 1998 met
toepassing van artikel 17, derde lid, onder a, van de Ioaw herzien en de
over die periode verstrekte uitkering met toepassing van artikel 25,
eerste lid, van de Ioaw tot een bedrag van 3.418,64 van hen
teruggevorderd. Gedaagde heeft geen dringende redenen aanwezig geacht om
van herziening of terugvordering af te zien.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond
verklaard.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Allereerst stelt de Raad vast dat gedaagde bij besluit van 25 juli 2001
het door de Raad - in navolging van de rechtbank - bij uitspraak van 19
juni 2001 geconstateerde gebrek in de besluitvorming heeft hersteld door
alsnog een herzieningsbesluit te nemen. Op grond van artikel 17, derde
lid, van de Ioaw (tekst van 1 juli 1997 tot 1 januari 2002) was gedaagde
gehouden tot herziening van de Ioaw-uitkering van appellanten over de
periode van 7 juli 1997 tot 1 juli 1998 over te gaan. De Raad ziet,
evenals de rechtbank, geen grond het standpunt van gedaagde dat bij de
onderhavige herziening geen rekening behoefde te worden gehouden met een
premie deeltijdwerk, waarop appellanten een beroep doen, onjuist te
achten. Daarbij wijst de Raad erop dat deze premie ingevolge artikel 11,
eerste lid, van de Verordening premiebeleid ter bevordering van de
zelfstandige bestaansvoorziening gemeente Marum diende te worden
aangevraagd door indiening van een volledig ingevuld en eigenhandig
ondertekend, door Burgemeester en Wethouders vastgesteld formulier en
dat appellanten geen aanvraag hebben ingediend. De door appellanten
aangevoerde redenen om geen aanvraag in te dienen, leidt de Raad niet
tot een ander oordeel.
Van dringende redenen, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekomt
om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, is de Raad niet
gebleken.
Met het vorenstaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarde voor
toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Ioaw (tekst vanaf 1 juli
1997), zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de teveel
verstrekte Ioaw-uitkering. Van dringende redenen als bedoeld in artikel
25, vierde lid, van de Ioaw is de Raad niet gebleken.
Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat hij voorbijgaat aan de door
appellanten verlangde vrijstelling van het GAK bij de vaststelling
van de uitkering ingevolge de WAO en de TW, omdat de omvang van dit
geding wordt bepaald door het besluit van gedaagde van 25 juli 2001. Dit
betekent dat thans alleen de herziening en terugvordering van de Ioaw-uitkering
door gedaagde ter beoordeling staat.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan
slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking
komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|