|
Uitspraak
04/1099 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwerkerk
aan den IJssel, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. W.J.A. Vis, werkzaam bij DAS rechtsbijstand
te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
s-Gravenhage van 15 januari 2004, reg.nr. AWB 03/1601 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 april 2005, waar voor
appellante is verschenen mr. Vis, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. A. Boere, werkzaam bij de gemeente
Nieuwerkerk aan den IJssel.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij besluit van 6 januari 2000 heeft gedaagde aan appellante met ingang
van 23 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw)
toegekend naar de norm voor een alleenstaande.
Nadat gedaagde was gebleken dat bij het toekenningsbesluit abusievelijk
is uitgegaan van een te hoge grondslag voor de Ioaw-uitkering, heeft
gedaagde bij besluit van 18 oktober 2002 met ingang van 1 juli 2002 een
Ioaw-uitkering toegekend naar een met toepassing van artikel 9, vierde
lid, van de Ioaw vastgestelde grondslag van 331,52 bruto per maand.
In dat besluit is verder - onder meer - bepaald dat met toepassing van
artikel 17, vijfde lid, van de Ioaw de verleende uitkering over de
periode van 23 januari 2000 tot 1 juli 2002 niet wordt herzien en niet
wordt teruggevorderd.
Bij besluit van 13 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 18 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 13 maart 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft
daarbij - samengevat - overwogen dat de aanpassing van bedragen
ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Ioaw gevolgen heeft voor degenen
van wie de Ioaw-uitkering is vastgesteld overeenkomstig artikel 5 van de
Ioaw. Onder verwijzing naar de toelichting op artikel 9, vijfde lid, van
de Ioaw is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet blijkt dat de
wetgever de bedoeling heeft gehad om de uitkering die is vastgesteld op
grond van artikel 9, vierde lid, van de Ioaw periodiek aan te passen.
Een Ioaw-uitkeringsgerechtigde is in deze gevallen voor een aanvulling
tot het sociaal minimum afhankelijk van de Algemene bijstandswet (Abw)
en deze laatste wet voorziet zelf in een periodieke aanpassing van de
uitkeringsbedragen tot het sociaal minimum. Evenmin is gebleken dat
gedaagde de hoogte van de Ioaw-uitkering anderszins onjuist heeft
vastgesteld.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij
heeft zich - onder meer - op het standpunt gesteld dat de hoogte van de Ioaw-uitkering
onjuist is vastgesteld. Volgens appellante dient de Ioaw-uitkering, die
is vastgesteld met toepassing van artikel 9, vierde lid, van de Ioaw,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 5 van de Ioaw periodiek te worden
geοndexeerd. Daarnaast is appellante van mening dat ook de verhoging
van 1,9 % wegens de afschaffing van de Overhevelingstoeslag ten onrechte
achterwege is gebleven.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Ioaw heeft de werkloze
werknemer, als bedoeld in artikel 2 van de Ioaw, recht op uitkering
indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de in het derde, vierde
en vijfde lid voor de verschillende persoonlijke situaties vastgestelde
grondslagen. Op grond van het zesde en zevende lid, van artikel 5 van de
Ioaw worden de in het derde lid, vierde lid, en vijfde lid genoemde
bedragen gewijzigd met ingang van de dag waarop het netto minimumloon,
respectievelijke het netto minimumjeugdloon, wijzigt met het percentage
van deze wijziging.
In artikel 9, eerste lid, van de Ioaw is bepaald dat de hoogte van de
uitkering het verschil tussen de ingevolge artikel 5 van de Ioaw van
toepassing zijnde grondslag en het inkomen bedraagt. In het vierde lid
van artikel 9 is een beperking van de hoogte van de uitkering opgenomen.
Indien de som van de uitkering krachtens artikel 52 van de
Werkloosheidswet (WW) en de toeslag krachtens artikel 8, vierde lid, van
de Toeslagenwet (TW), minder bedroeg dan de uitkering bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt de uitkering vastgesteld op dat lagere
bedrag. Uit de toelichting op artikel 9,
vijfde lid, van de Ioaw, - welke bepaling evenals artikel 9, vierde lid
de toetsingsinkomens van Ioaw gerechtigden beperkt - volgt dat deze
bepaling ziet op de situaties waarin de loondervingsuitkering op grond
van de WW aan het einde van de daarvoor geldende uitkeringstermijn lager
is dan 70% van het minimumloon. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij
vroegere deeltijdarbeid of bij een daarnaast genoten gedeeltelijk
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Omdat de Ioaw-uitkering een
vervolg is op de laatstgenoten WW-uitkering en eventueel Toeslagenwet,
kan deze niet hoger worden vastgesteld (TK 1985-1986, 19 260, nr. 3,
p.17).
De Raad kan gedaagde en de rechtbank niet volgen in het standpunt dat
een uitkering waarvan de hoogte op grond van artikel 9, vierde lid, van
de Ioaw is gemaximeerd, niet voor indexering als bepaald in artikel 5,
zesde en zevende lid, van de Ioaw in aanmerking komt. Nu het bepaalde in
artikel 9, vierde lid, van de Ioaw in wezen neerkomt op een aanpassing
van de grondslag in de daar omschreven situatie, volgt uit het systeem
van de wet dat ook de uitkering die met toepassing van deze bepaling is
berekend, overeenkomstig artikel 5, zesde en zevende lid, van de Ioaw
periodiek dient te worden gewijzigd.
De Raad ziet de periodieke wijziging van de met toepassing van artikel
9, vierde lid, van de Ioaw vastgestelde uitkering bevestigd in de - hier
relevante - door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
gegeven circulaire van 5 juni 2002, nr. B&WGA/IW/02/40391,
Vooraankondiging wijziging bedragen Abw, Ioaw, Ioaz en Wik per 1 juli
2002. In deze circulaire is aangegeven dat als gevolg van de
vaststelling van het wettelijk minimumloon per 1 juli 2002 de Ioaw-grondslagen
worden aangepast. Daarbij is aangegeven dat de toetsingsinkomens van
Ioaw-gerechtigden,
die zijn onderworpen aan de beperkende werking van artikel 9, vierde en
vijfde lid, van de Ioaw eveneens dienen te worden aangepast.
Dat, zoals de rechtbank nog heeft overwogen, een Ioaw-gerechtigde in
deze gevallen voor een aanvulling tot het sociaal minimum afhankelijk is
van de Algemene bijstandswet (Abw) en deze laatste wet zelf voorziet in
periodieke aanpassingen van de uitkeringsbedragen tot het sociaal
minimum, doet aan het voorgaande niet af. Aan dit argument komt in het
onderhavige geval te minder betekenis toe, nu appellante geen aanspraak
kan maken op een aanvullende Abw-uitkering.
Appellante heeft verder aangevoerd dat de hoogte van de Ioaw-uitkering
eveneens dient te worden verhoogd met 1,9% wegens de afschaffing van de
Overhevelingstoeslag per 1 januari 2001. Met gedaagde is de Raad van
oordeel dat het in dit verband gedane beroep op de Wet brutering overhevelingstoeslag
lonen (Wet BOL) niet kan slagen. In artikel 3,
vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet BOL is - onder meer - bepaald
dat het recht op verhoging van het uit te betalen loon niet geldt met
betrekking tot loon in de vorm van uitkeringen en verstrekkingen uit
hoofde van de Ioaw.
De grief van appellante dat het recht ten onrechte met terugwerkende
kracht is herzien, treft evenmin doel. Niet in geding is - en ook voor
de Raad staat vast - dat het recht op uitkering van appellante vanaf
januari 2000 maandelijks op te hoge bedragen is vastgesteld, omdat die
bedragen hoger waren dan de laatstelijk door haar genoten uitkering
ingevolge de WW. Ingevolge het bepaalde in artikel 17, derde lid, aanhef
en onder b, van de Ioaw was gedaagde dan ook gehouden het besluit tot
toekenning van uitkering te herzien.
De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel
17, vijfde lid, van de Ioaw, om ook met betrekking tot de periode van 1
juli 2002 tot en met 18 oktober 2002 van herziening af te zien.
Het besluit van 13 maart 2003 kan gelet op het voorgaande niet in stand
blijven. Gedaagde heeft in strijd met het bepaalde in de artikelen 5,
zesde lid, en 9, vierde lid, van de Ioaw de hoogte van de uitkering niet
periodiek gewijzigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Met
vernietiging van de aangevallen uitspraak zal de Raad, doende hetgeen de
rechtbank had behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het
besluit van 13 maart 2003 wegens strijd met de wet vernietigen. Gedaagde zal een
nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.
Het verzoek van appellante om vergoeding van wettelijke rente komt thans
niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door
gedaagde noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de
omvang van de ten gevolge van het bestreden besluit geleden renteschade.
Gedaagde zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te
besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om
renteschade te vergoeden.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- in
beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 maart 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van 1.288,--, te betalen door de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel;
Bepaalt dat de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel aan appellante het in
beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 118,--
vergoedt.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.
|
|