|
Uitspraak
04/1440 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3
februari 2004, reg.nr. NIOAW 02/1146.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 31 mei 2005, waar voor appellant
is verschenen mr. Hopman, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door E.J.M.M. Meijer, werkzaam bij de gemeente Heiloo.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 1991 een uitkering achtereenvolgens ingevolge de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) en de Algemene nabestaandenwet
(Anw).
Bij besluiten van 9 juli 1998 en 10 november 2000 heeft gedaagde
appellant, met ingang van 2 augustus 1998 respectievelijk 4 oktober
2000, een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) toegekend.
Naar aanleiding van het vermoeden van fraude heeft de sociale recherche
van de gemeente Alkmaar onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de
aan appellant verstrekte Ioaw-uitkering. De bevindingen van dit
onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 9 april 2002.
Op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de sociale recherche
heeft gedaagde bij besluit van 24 april 2002 het recht van appellant op
een uitkering ingevolge de Ioaw over de periode van 2 augustus 1998 tot
en met 30 juni 2000 en de periode van 4 oktober 2000 tot en met 15
december 2000 herzien (lees: ingetrokken) en een bedrag van €
22.392,96 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 3 september 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 24 april 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 3
september 2002 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat
de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij verontschuldigbaar in de
veronderstelling verkeerde dat zijn Anw-uitkering niet van invloed was
op zijn recht op een uitkering op grond van de Ioaw, zodat hij ook geen
aanleiding heeft gezien deze uitkering op te geven op de maandelijkse
inkomstenformulieren. Appellant heeft gesteld dat hij het
aanvraagformulier voor de Ioaw-uitkering samen met A. Ebbe (hierna:
Ebbe), werkzaam bij de afdeling welzijn van de gemeente Heiloo heeft
ingevuld, waarbij Ebbe zou hebben aangegeven dat de Anw-uitkering niet
ter zake deed. Appellant acht op grond hiervan de intrekking en
terugvordering in strijd met het vertrouwens- en
rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, gelet op de hoogte van
de door hem ontvangen Anw-uitkering, ten tijde in geding niet voor een
uitkering op grond van de Ioaw in aanmerking kwam.
Appellant stelt zich in wezen op het standpunt dat het feit dat hij op
zijn inkomstenformulieren geen opgave heeft gedaan van zijn
Anw-uitkering niet in strijd is met de ingevolge artikel 13, eerste lid,
van de Ioaw op hem rustende inlichtingenverplichting. Appellant beroept
zich daartoe op het vertrouwen dat hij mocht ontlenen aan het gesprek
met Ebbe ten tijde van zijn aanvraag van de Ioaw-uitkering.
Niet staat vast wat precies tussen appellant en Ebbe is besproken
tijdens het invullen van het aanvraagformulier. Uit het rapport van de
sociale recherche blijkt dat Ebbe is gehoord en dat deze heeft verklaard
dat hij zich niet méér kan herinneren van het gesprek met appellant
dan dat appellant heel precies was. Uit de door appellant in zijn
bezwaarschrift van 24 mei 2002 opgenomen weergave van het gesprek met
Ebbe blijkt slechts dat de Anw-uitkering discussiepunt is geweest. In
ieder geval blijkt ook uit de lezing van appellant niet dat er sprake is
geweest van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen.
Wat er zij van het verhandelde tussen appellant en Ebbe, de Raad is van
oordeel dat appellant hoe dan ook de op hem ingevolge artikel 13, eerste
lid, van de Ioaw rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door
van de ontvangst van de Anw-uitkering geen opgave te doen op de door hem
maandelijks bij gedaagde in te leveren formulieren. Gedaagde heeft
appellant maandelijks aanvankelijk een inkomstenformulier en vervolgens
een rechtmatigheidsonderzoeksformulier toegezonden. Deze formulieren
zijn bedoeld om gedaagde een actueel beeld te geven van de voor de
Ioaw-uitkering mogelijkerwijs van belang zijnde feiten en
omstandigheden.
Gelet op de redactie van de terzake van inkomsten gestelde vraag op
beide formulieren is onmiskenbaar dat opgave moet worden gedaan van alle
genoten inkomsten. Dat appellant één maal, bij zijn tweede aanvraag
van 6 oktober 2000, melding heeft gemaakt van zijn Anw-uitkering doet
daaraan niet af.
Nu voorts niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan van
intrekking zou kunnen worden afgezien, is gedaagde daartoe terecht
overgegaan. De Raad ziet, anders dan de rechtbank en gelet op het
rechtmatigheidsonderzoeksformulier over oktober 2000, de grondslag voor
de intrekking over de gehele periode in geding in het bepaalde in
artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw.
Uit het voorgaande volgt dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Ioaw. De
Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 25,
vierde lid, van de Ioaw, zodat aan gedaagde niet de bevoegdheid toekomt
om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Gelet op het hiervoor gegeven dwingendrechtelijke kader komt de Raad,
anders dan de rechtbank, niet toe aan de vraag of appellant
redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat hij teveel uitkering ontving.
Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. H.J. de
Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|