|
Uitspraak
03/5664 NIOAW en 05/2517 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaltbommel,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 6 oktober 2003, reg.nr. 02/1632 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door H. Huiberts te Zaltbommel, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door T. Hensen,
werkzaam bij de gemeente Zaltbommel.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft op 13 november 2001 bij gedaagde een aanvraag ingediend
om hem met ingang van 5 september 1995 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) toe te kennen.
Bij besluit van 8 mei (lees: januari) 2002 heeft gedaagde aan appellant
een Ioaw-uitkering toegekend met ingang van 13 november 2001.
Naar aanleiding van het tegen het besluit van 8 januari 2002 gemaakte
bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 2 juli 2002 de ingangsdatum van
de uitkering nader bepaald op 20 juni 2000. Daarbij heeft gedaagde
overwogen dat het appellant op medische gronden niet is aan te rekenen
dat hij tijdens een intakegesprek van 20 juni 2000 geen aanvraag heeft
ingediend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over
proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 2 juli
2002 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen
een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming
van die uitspraak. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat in het
onderhavige geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die toekenning
van de Ioaw-uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigen tot een
datum gelegen vóór 20 juni 2000. De rechtbank acht een ingangsdatum
gelegen kort na 10 december 1998 redelijk.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij
heeft primair aangevoerd dat hij in het najaar van 1995 een - mondelinge
- aanvraag om Ioaw-uitkering per 5 september 1995 heeft ingediend, zodat
hem met ingang van die datum een Ioaw-uitkering toekomt. Subsidiair
vordert hij toekenning met ingang van 20 oktober 1998, aangezien op
grond van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gehanteerde
overwegingen hem reeds vanaf die datum een Ioaw-uitkering toekomt.
Voorts heeft appellant verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding
van de door hem sedert 1995 geleden schade.
Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 18
december 2003 een nieuw besluit genomen op het bezwaar van appellant en
de ingangsdatum van de Ioaw-uitkering nader bepaald op 11 december 1998.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 18 december 2003 niet
geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetkomt, zodat de Raad -
overeenkomstig artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in verbinding met de artikelen 6:18 en 6:19 van de
Awb - het besluit van 18 december 2003 in die zin bij zijn beoordeling
dient te betrekken, dat het beroep van appellant geacht wordt mede te
zijn gericht tegen dit besluit.
Ingevolge artikel 15 van de Ioaw stellen burgemeester en wethouders het
recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Volgens vaste
rechtspraak van de Raad inzake toepassing van deze bepaling wordt in
beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de
datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden
afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Naar het oordeel van de Raad is niet komen vast te staan dat appellant
al in het najaar van 1995 bij gedaagde een aanvraag om uitkering heeft
ingediend of op ondubbelzinnige wijze aan gedaagde kenbaar heeft gemaakt
dat hij een uitkering op grond van de Ioaw wenste aan te vragen.
Voorts ziet de Raad in al hetgeen namens appellant naar voren is
gebracht geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat met
ingang van een datum voorafgaande aan 11 december 1998 een Ioaw-uitkering
wordt toegekend. De Raad stelt op basis van de stukken vast dat
appellant op 20 oktober 1998 bij gedaagde heeft geïnformeerd naar de
mogelijkheden voor een (aanvullende) Ioaw-uitkering. Vervolgens heeft
gedaagde bij brief van 21 oktober 1998 appellant bericht dat het in zijn
geval niet mogelijk is een uitkering aan te vragen. Bij brief van 10
december 1998 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat die informatie
niet correct is geweest, en dat hij aanspraak kan maken op en Ioaw-uitkering
indien voldaan is aan de genoemde voorwaarden. Gedaagde heeft er daarbij
op gewezen dat appellant alsnog een aanvraag kan indienen. Blijkens de
stukken heeft appellant zich eerst op 20 juni 2000 weer bij gedaagde
vervoegd.
De Raad concludeert dat ook in het tijdvak vanaf 20 oktober 1998 er geen
sprake van is geweest dat appellant activiteiten heeft ondernomen in de
richting van gedaagde die tot het innemen van een aanvraag hadden moeten
leiden. De Raad ziet voorts in de beschikbare gegevens onvoldoende
grondslag voor het oordeel dat appellant om medische redenen niet in
staat was zijn belangen in dit opzicht adequaat te behartigen. Tegen
deze achtergrond stelt de Raad vervolgens vast dat appellant met het
nadere besluit van 18 december 2003 niet te kort is gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd en dat het beroep tegen het besluit van 18 december 2003
ongegrond dient worden verklaard.
Ter zake van de gevorderde schadevergoeding overweegt de Raad als volgt.
Tussen partijen staat de onrechtmatigheid van de besluiten van 8 januari
2002 en 2 juli 2002 vast, zodat gedaagde gehouden is tot vergoeding van
de schade die appellant als gevolg daarvan heeft geleden. Verder staat
vast dat hier sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom,
te weten de voldoening van de Ioaw-uitkering over de periode van 11 december 1998 tot 13 november 2001. Artikel 6:119 van het Burgerlijk
Wetboek bepaalt dat de schadevergoeding dienaangaande bestaat in de
wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim
is geweest. De Raad heeft er herhaaldelijk op gewezen dat een en ander
meebrengt dat er in gevallen als hier aan de orde geen plaats is voor
zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde uitbetaling van de Ioaw-uitkering
beweerdelijk voortgevloeide overige schade.
Gelet op artikel 16 van de Ioaw had gedaagde binnen acht weken moeten
beslissen op de op 13 november 2001 ontvangen aanvraag. Die termijn
eindigt derhalve op 8 januari 2002. Gelet hierop is de Raad van oordeel
dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 februari 2002, zijnde de
eerste dag na de maand in welke op die aanvraag had moeten zijn beslist.
Voor de wijze van berekening van de wettelijke rente verwijst de Raad
naar zijn uitspraak van 29 juli 1997, gepubliceerd in RSV 1997/273. De
aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden betaald tot aan de dag
der algehele voldoening.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling in hoger beroep nu de aangevallen uitspraak
dient te worden bevestigd en appellant eerst in hoger beroep
schadevergoeding heeft gevorderd.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het
besluit van 18 december 2003 ongegrond;
Bepaalt dat aan appellant een vergoeding van wettelijke rente wordt
toegekend op de in rubriek II van deze uitspraak aangegeven wijze;
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid
van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 augustus
2005.
(get.) J.M.A. van der Kolk.
(get.) L. Jörg.
|
|