|
Uitspraak
04/1631 NIOAW en 04/1668 NIOAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te
[woonplaats],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. M. van der Himst, advocaat te Den Helder,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van
10 februari 2004, reg.nr. IOAW 02/836.
Namens appellante heeft mr. J.J. Jorna, advocaat te Den Helder, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10
februari 2004, reg.nr. IOAW 02/866.
Gedaagde heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 september 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der
Himst, en waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Jorna. Gedaagde heeft zich daar niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sedert 1 juni 1999 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) naar de grondslag voor een alleenstaande. Volgens zijn
aanvraag huurt hij een kamer op het adres van appellante, [adres] te
[woonplaats].
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellanten
een gezamenlijke huishouding voeren heeft de sociale recherche onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende
uitkering. In dat kader is administratief onderzoek gedaan, is een
huisbezoek afgelegd en zijn appellanten gehoord. Op grond van de
resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in
een rapport van 5 februari 2002, heeft gedaagde geconcludeerd dat
appellanten vanaf 1 juni 1999 een gezamenlijke huishouding voeren,
waarvan appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting aan
gedaagde geen melding heeft gemaakt.
Bij besluit van 31 januari 2002 heeft gedaagde het recht op uitkering
van appellant ingevolge de Ioaw met ingang van 1 januari 2002 beëindigd
op de grond dat appellant met appellante een gezamenlijke huishouding
voert in de zin van artikel 3, derde lid, van de Ioaw.
Bij besluit van 19 maart 2002 heeft gedaagde met toepassing van artikel
17 van de Ioaw het recht op uitkering van appellant ingevolge de Ioaw
over de periode van 1 juni 1999 tot en met 31 december 2001 ingetrokken
en de gedurende die periode ten onrechte verleende uitkering tot een
bedrag van € 29.773,22 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft
tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 31 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. IOAW 02/836, heeft de rechtbank
het beroep van appellant tegen het besluit van 4 juni 2002 ongegrond
verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
Bij besluit van eveneens 19 maart 2002 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 26, tweede lid, van de Ioaw de gedurende de periode van 1 juni
1999 tot en met 31 december 2001 ten onrechte aan appellant verleende uitkering
ingevolge de Ioaw tot een bedrag van € 29.773,22 mede van appellante
teruggevorderd.
Bij besluit van 18 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante
tegen het besluit van 19 maart 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, reg.nr. IOAW 02/866, heeft de rechtbank
het beroep van appellante tegen het besluit van 18 juni 2002 ongegrond
verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/1668 NIOAW
De Raad stelt vast, mede gelet op het verhandelde ter zitting, dat in
dit geding aan de orde is de medeterugvordering van appellante tot een
bedrag van € 29.773,22 van de ten onrechte over de periode van 1 juni
1999 tot en met 31 december 2001 aan appellant verleende uitkering
ingevolge de Ioaw.
De Raad dient in dit geding te beoordelen of de rechtbank terecht tot de
conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de
voorwaarden van artikel 26, tweede lid, van de Ioaw. Daarin is bepaald,
dat indien de uitkering met inachtneming van artikel 3 had moeten worden
verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende
onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, dan wel de
verplichting ingevolge artikel 13 niet of niet behoorlijk is nagekomen,
de ten onrechte verleende uitkering mede wordt teruggevorderd van de
persoon met wiens middelen bij de verlening van de uitkering rekening
had moeten worden gehouden.
Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellante die
persoon is, is vereist dat appellante in de in geding zijnde periode met
appellant een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde
lid, van de Ioaw heeft gevoerd.
Ingevolge die bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien
twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van
een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Niet in geschil is dat appellanten in de periode in geding hun
hoofdverblijf hadden in de woning aan de [adres] te [woonplaats].
Met betrekking tot het criterium van wederzijdse verzorging heeft de
rechtbank bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat de
onderzoeksgegevens voldoende grond bieden om aan te nemen dat ook aan
dit criterium is voldaan. De rechtbank heeft daartoe overwogen, waarbij
voor eiseres appellante moet worden gelezen:
"Verweerder heeft aan het bestreden besluit een
onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres en de
heer Genc ten grondslag gelegd, waarvan op 5 februari 2002 verslag is opgemaakt door sociaal
rechercheurs F. Meyers en L.J. Rietveld. Uit dit verslag, waarvan de inhoud ter
zitting is geverifieerd en waarvan de inhoud op hoofdlijnen door eiseres
wordt onderschreven, blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam
dat de samenwoning van eiseres en de heer Genc niet berust op een louter
commerciële kamerhuurovereenkomst. Daartoe overweegt de rechtbank dat
eiseres en de heer Genc op diverse adressen samen hebben gewoond en dat
het huurcontract van de Woningstichting voor de huidige woning sedert
maart 1998 op naam van beiden staat. Verder betaalt de heer Genc minder
huur dan in de in het dossier aanwezige kamerhuurovereenkomst staat
vermeld, ontbreken bewijzen voor de huurbetaling en is de kamerhuur -
anders dan gebruikelijk is bij een commerciële huurovereenkomst - jaren
niet verhoogd. Door eiseres en de heer Genc is ook beaamd dat de heer
Genc gebruik maakt van meer vertrekken dan de ene kamer die in de
huurovereenkomst staat vermeld. Ter zitting is door eiseres erkend dat
zij en de heer Genc ten tijde hier van belang een gezamenlijke
inboedelverzekering hadden. Ook stonden de vaste telefoon, waarvan de
heer Genc de rekening betaalde, en de video en de televisie van de heer
Genc in de woonkamer van eiseres."
De Raad verenigt zich met deze overwegingen. Ook naar het oordeel van de
Raad is voldaan aan de beide voorwaarden voor een gezamenlijke
huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaw. Hetgeen
appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de in
eerste aanleg naar voren gebrachte stellingen en die stellingen zijn
door de rechtbank naar het oordeel van de Raad op goede gronden
verworpen. De Raad merkt nog op dat appellante voor haar stelling dat de
huur verrekend werd met de door hen ten behoeve van elkaar over en weer
verrichte diensten geen begin van bewijs heeft geleverd.
Nu voorts gelet op de gedingstukken, waarvan met name genoemd het eerder
vermelde, rechtens onaantastbare besluit van 19 maart 2002 tot
intrekking van het recht op uitkering van appellant over de periode van
1 juni 1999 tot en met 31 december 2001, vaststaat dat de verlening van
uitkering met inachtneming van artikel 3 van de Ioaw - niettemin -
achterwege is gebleven, omdat appellant de ingevolge artikel 13, eerste
lid, van de Ioaw op hem rustende inlichtingenverplichting niet is
nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de
voorwaarden voor toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Ioaw.
Gedaagde was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte aan
appellant verleende uitkering mede van appellante terug te vorderen.
De Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen dringende redenen
als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw, zodat gedaagde niet
de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten
aanzien van appellante af te zien.
Met betrekking tot het geding met reg.nr. 04/1631 NIOAW
De Raad stelt vast, mede gelet op het verhandelde ter zitting, dat hij
in dit geding staat voor de beantwoording van de vraag of de uitkering
van appellant ingevolgde de Ioaw terecht is beëindigd per 1 januari
2002 op de grond dat appellant op en na 1 januari 2002 met appellante
een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van artikel 3, derde lid,
van de Ioaw.
Hetgeen hiervoor is geoordeeld met betrekking tot de gezamenlijke
huishouding in vorenbedoelde zin gedurende de periode van 1 juni 1999
tot en met 31 december 2001 geldt ook voor de hier in geding zijnde
periode, op en na 1 januari 2002, zodat de Raad de in geding zijnde
vraag bevestigend beantwoordt. Hij voegt daaraan nog toe dat appellant,
gegeven de gezamenlijke huishouding, niet langer als zelfstandig subject
van uitkering ingevolge de Ioaw kon worden beschouwd en reeds om die
reden geen recht (meer) had op uitkering ingevolge die wet naar de
grondslag voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is
gebracht, overweegt de Raad nog het volgende. De omstandigheid dat de
strafrechter appellant van de ten laste gelegde valsheid in geschrifte
heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het
voorgaande geen afbreuk. Het door appellant gedane beroep op het
vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel faalt reeds
aangezien appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door
van de gezamenlijke huishouding met appellante aan gedaagde niet
onverwijld mededeling te doen.
Slotoverwegingen
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant en
appellante geen doel treft en dat de aangevallen uitspraken voor
bevestiging in aanmerking komen.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H.
Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober
2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) S.W.H. Peeters.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|