|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1672 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10
februari 2004, reg.nr. 03/1124 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20
september 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant heeft op 8 november 1999 een aanvraag voor een uitkering
ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend. Gedaagde heeft deze
aanvraag bij besluit van 14 maart 2000 afgewezen op de grond dat
appellant aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tegen dit besluit heeft
appellant geen bezwaar gemaakt.
Op 18 september 2001 heeft appellant voorts een aanvraag ingediend op
grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: Ioaw). Bij besluit van
25 juli 2002 heeft gedaagde aan appellant een Ioaw-uitkering toegekend
met ingang van 1 juli 2002.
Bij besluit van 27 februari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 25 juli 2002 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarbij is
overwogen dat de ingangsdatum van de uitkering wordt vastgesteld op 1
juli 2001, zijnde de datum van eerste melding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 27 februari 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend nog in geschil of de
ingangsdatum van de Ioaw-uitkering terecht op 1 juli 2001 is gesteld.
Ingevolge artikel 15 van de Ioaw stellen burgemeester en wethouders het
recht op uitkering op schriftelijke aanvraag vast. Naar vaste
rechtspraak van de Raad inzake toepassing van deze bepaling wordt in
beginsel geen uitkering verleend over een periode voorafgaand aan de
datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden
afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
Vaststaat dat appellant op 18 september 2001 een aanvraag om Ioaw-uitkering
heeft ingediend nadat hij zich reeds in juli 2001 bij gedaagde had
gemeld. Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden aan appellant met
ingang van 1 juli 2001 een Ioaw-uitkering toe te kennen.
Niet is komen vast te staan dat appellant reeds vσσr 1 juli 2001 een
aanvraag om Ioaw-uitkering bij gedaagde heeft ingediend. Evenmin is
gebleken dat appellant op enigerlei wijze actie in de richting van
gedaagde heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende
aanvraag had moeten leiden. Voorts is de Raad niet gebleken dat
appellant buiten staat was eerder een aanvraag in te dienen dan wel een
gegronde reden voor latere indiening had.
Van bijzondere omstandigheden die gedaagde er niettemin toe hadden
moeten brengen de ingangsdatum op een datum vσσr 1 juli 2001 vast te
stellen is de Raad evenmin gebleken. De Raad merkt in dat verband nog op
dat gebrek aan wetenschap omtrent het bestaan en de mogelijkheden van de
Ioaw op zichzelf geen bijzondere omstandigheid vormt om een eerdere
ingangsdatum dan de datum van aanvraag of de datum van eerste melding te
rechtvaardigen. Ook de grief dat gedaagde bij de bijstandsaanvraag van 8
november 1999 tevens had dienen te bezien of hij voor een Ioaw-uitkering
in aanmerking kwam treft geen doel. Die aanvraag had blijkens de stukken
immers specifiek en uitsluitend betrekking op een uitkering ingevolgde
de Abw en was als zodanig bepalend voor de reikwijdte van het destijds
in te stellen onderzoek. Indien appellant het daarmee niet eens was dan
had het op zijn weg gelegen dit in een eerder stadium bij gedaagde aan
te kaarten ofwel in het kader van een bezwaarprocedure tegen het besluit
tot afwijzing van de bijstandsaanvraag ofwel anderszins.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Pijper
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2005.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M. Pijper.
|
|