|
Uitspraak
03/5602 NIOAW, 04/3577 NIOAW en 05/3504 NABW
B E S L I S S I N G
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet
bestuursrecht, gedaan door:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de
rechtbank Zutphen van 2 oktober 2003, reg.nr. 03/198 NABW en 18 april
2005, reg.nr. 02/441 NABW.
Bij op 22 november 2005 bij de Raad ingekomen brieven van 16 november
2005, 17 november 2005 en 18 november 2005 heeft verzoeker verzocht om
wraking van mr. C. van Viegen, voorzitter van de behandelende kamer.
Verzoeker en mr. Van Viegen zijn ingevolge artikel 8:18, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld te worden
gehoord ter zitting van de Raad van 5 december 2005. Verzoeker en mr.
Van Viegen zijn niet ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
In artikel 8:15 van de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk
van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade
zou kunnen lijden.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de
ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken
op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van de
rechterlijke partijdigheid.
De Raad stelt voorop dat een wrakingsgrond gelegen dient te zijn in
feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de)
rechter die de zaak behandelt; het wrakingsverzoek dient het betrokken
lid of de betrokken leden van het rechterlijk college te betreffen, niet
het rechterlijk college als zodanig.
De Raad is van oordeel dat in hetgeen door verzoeker is aangevoerd ten
aanzien van mr. Van Viegen niet gebleken is van enig feit of van enige
omstandigheid waaruit de gevolgtrekking gemaakt zou behoren te worden
dat de behandeling van de zaken van verzoeker door hem niet kan
plaatsvinden zonder dat daarbij gesproken zou kunnen worden van
inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van
schijn van rechterlijke partijdigheid in de hierboven door de Raad
aangegeven zin.
Voorts is de Raad van oordeel dat hetgeen verzoeker overigens heeft
aangevoerd niet gericht is tegen de persoon van de rechter die zijn
zaken behandelt, doch tegen de rechterlijke macht in het algemeen en in
het bijzonder tegen de Raad als zodanig. Zoals de Raad al eerder heeft
overwogen, onder meer in een uitspraak in een eerder door verzoeker
ingestelde wrakingszaak (LJN AS8815), waarnaar hij kortheidshalve
verwijst, is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als
zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet.
De Raad beslist derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om wraking af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5
december 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.
|
|