|
Uitspraak
04/5716 NIOAW en 04/5718 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Leidschendam-Voorburg, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. A.L.C.M. Oomen, advocaat te ´s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ´s-Gravenhage
van 7 september 2004, reg.nrs. 03/1937 IOAW en 03/3954 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 december 2005, waar
appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door M. Schuurman, werkzaam bij de gemeente
Leidschendam-Voorburg.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1938 en van Surinaamse afkomst, ontving met
ingang van 1 december 1998 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) naar de norm voor een alleenstaande. Gelet op de
leeftijd van appellante was zij volledig ontheven van de verplichtingen
gericht op de arbeidsinschakeling.
Appellante verbleef met toestemming van gedaagde in de periode van 2
januari 2002 tot en met 6 februari 2002 in Suriname in verband met
familieomstandigheden. Bij brief van 6 maart 2002 is aan appellante
toestemming verleend om gedurende de periode van 13 maart 2002 tot en
met 5 mei 2002 in het buitenland te verblijven met behoud van haar
uitkering. In de periode vanaf 13 maart 2002 tot en met 10 juli 2002
verbleef appellante in Suriname, alwaar op 19 maart 2002 de zus van
appellante is overleden.
Bij besluit van 29 juli 2002 is het recht op uitkering van appellante
met ingang van 6 mei 2002 beëindigd, op de grond dat zij langer dan
voor haar toegestane periode van 13 weken in Suriname verblijf heeft
gehouden. Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat
appellante, gelet op artikel 6, eerste lid, onder a, van de Ioaw in
samenhang met de op artikel 9, derde lid, van de Algemene bijstandswet
gebaseerde Regeling gebruikelijke vakantieduur, maximaal 13 weken per
kalenderjaar in het buitenland mag verblijven met behoud van haar
Ioaw-uitkering.
In het kader van de door appellante ingediende aanvraag om haar ingaande
11 juli 2002 wederom een Ioaw-uitkering te verlenen, heeft gedaagde
appellante bij brief van 7 augustus 2002 verzocht nadere gegevens te
overleggen. Op de grond dat appellante niet aan dit verzoek heeft
voldaan heeft gedaagde bij besluit van 22 augustus 2002 de aanvraag om
uitkering buiten behandeling gelaten. Bij besluit van 23 augustus 2002
is het verzoek om een voorschot afgewezen. Bij besluiten van 24
september 2002 respectievelijk 2 oktober 2002 heeft gedaagde appellante
(alsnog) een voorschot verleend en onder intrekking van het besluit van
22 augustus 2002 appellante een Ioaw-uitkering toegekend met ingang van
11 juli 2002.
Op 27 oktober 2002 is appellante wederom naar Suriname vertrokken in
verband met de gezondheidssituatie van haar moeder. In verband hiermee
heeft gedaagde bij besluit van 8 november 2002 op dezelfde grondslag als
in het besluit van 29 juli 2002 het recht op uitkering van appellante beëindigd
met ingang van 26 oktober 2002.
Bij besluit van 26 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 29 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij hetzelfde besluit zijn
de bezwaren tegen de brief van 7 augustus 2002 en de besluiten van 22 en
23 augustus 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 oktober 2002 is bij
besluit van 11 augustus 2003 gegrond verklaard in die zin dat de beëindigingsdatum
van de uitkering is gewijzigd in 27 oktober 2002.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van
appellante tegen de besluiten van 26 maart 2003 en 11 augustus 2003
ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Voor de gronden van
het hoger beroep heeft zij allereerst verwezen naar hetgeen naar voren
is gebracht in de bij de rechtbank ingediende beroepschriften. Voorts
heeft appellante aangevoerd dat de Regeling gebruikelijke vakantieduur
Abw niet op haar situatie van toepassing is, omdat zij niet in
vergelijkbare omstandigheden verkeerde als een bijstandsgerechtigde die
voor vakantie in het buitenland verblijft. Tot slot stelt appellante
zich op het standpunt dat afweging van de betrokken belangen ertoe moet
leiden dat de Ioaw-uitkering tijdens haar gehele verblijf in Suriname
gecontinueerd behoort te worden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De beëindiging met ingang van 6 mei 2002
De Raad ontleent het volgende aan de aangevallen uitspraak, waarbij voor
eiseres appellante moet worden gelezen en voor verweerder gedaagde:
"In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaw is
bepaald dat de werkloze werknemer die buiten Nederland woont of aldaar
anders dan tijdelijk verblijf houdt geen recht heeft op uitkering.
In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene
bijstandswet (Abw) is bepaald dat degene die in Nederland zijn
woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur,
verblijf houdt buiten Nederland geen recht heeft op bijstand.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 13 maart 1998, nr.
BZ/VOL/6359, stcrt. 1998,51 (Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw),
wordt onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onder d, van de Algemene bijstandswet verstaan voor de
belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: 13 weken per kalenderjaar, met
dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag
zijn dan 13 weken.
Bij circulaire van 18 maart 1998, nr. BZ/VOL/98/11018, heeft de Minister
van SZW zich tot de gemeentebesturen gericht met het verzoek om Ioaw- en
Ioaz-gerechtigden bij de toepassing van de Regeling gelijk te stellen
met Abw-gerechtigden. In de circulaire is onder meer overwogen dat in de
Ioaw en Ioaz de mogelijkheid om bij ministeriële regels te stellen
omtrent het begrip ‘gebruikelijke vakantieduur’ ontbreekt. Het is
echter wenselijk dat voor de Ioaw- en de Ioaz-gerechtigden (voor wat
betreft de verblijfsduur in het buitenland) hetzelfde regime gaat gelden
als in de Abw. Aan de gemeentebesturen wordt verzocht medewerking te
verlenen om bij uitvoering van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van
de Ioaw de Ioaw-gerechtigden met Abw-ers gelijk te stellen. In deze
circulaire is voorts overwogen dat het voorgaande betekent dat de
huidige praktijk, zoals deze ontwikkeld is op basis van de Rww en bij
wijze van codificatie in de Rww (artikel 2, tweede en derde lid,) is
vastgelegd per 1 oktober 1988 (Besluit van 4 juli 1998, Stb. 1988, 309)
in stand kan blijven. Deze uitvoeringspraktijk komt op het volgende
neer:
(...)
(...)
6. aan personen van 57½ jaar en ouder kan met behoud van uitkering een
vakantie van maximaal drie maanden worden toegestaan.
De vraag die moet worden beantwoord is of voor de uitleg van het begrip
‘tijdelijk verblijf’ al dan niet aansluiting kan worden gezocht bij
het bepaalde in de Abw. Als tijdelijk verblijf buiten Nederland wordt
aangemerkt een normale vakantieperiode in het buitenland van in beginsel
vier weken. In aansluiting bij de huidige uitvoeringspraktijk kan ten
aanzien van degenen die zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen
gericht op de arbeidsinschakeling in voorkomende gevallen een iets
langer verblijf in het buitenland worden toegestaan (zie aantekening 1
bij artikel 6 van de Ioaw, Kluwer, Losbladige Editie Sociale
Voorzieningen, deel 6, band 1).
De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de voormalige
Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State van 24 juli 1992 (JSV
1992/297). In deze uitspraak is overwogen dat voor de uitleg wat voor de
toepassing van de Ioaw onder normale vakantieduur moet worden verstaan
aangesloten dient te worden bij de vaste jurisprudentie daaromtrent
inzake de toepassing van de Algemene Bijstandswet en de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en hetgeen daarover is
vastgesteld in artikel 2 van die regeling. Voorts blijkt uit voornoemde
uitspraak dat de reden van dat buitenlands verblijf in dit verband niet
ter zake doet. De rechtbank sluit zich aan bij deze overwegingen en
maakt die tot de hare. Gelet op de geldende jurisprudentie en het in de
circulaire vervatte verzoek aan de gemeentebesturen heeft verweerder in
het onderhavige geval terecht toepassing gegeven aan de Regeling.
Hetgeen eiseres in dit kader heeft aangevoerd kan aan het voorgaande
niet afdoen (...)."
De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd
geen grond om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. In
aansluiting op hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen merkt de
Raad nog het volgende op.
De Ioaw is in werking getreden met ingang van 1 januari 1987 en had
blijkens haar considerans tot doel een inkomensvoorziening te treffen
voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, wier
uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd. Evenals aan de
bijstandswetgeving lag aan Ioaw het beginsel ten grondslag dat het recht
op uitkering beperkt is tot degenen die hier te lande verblijven,
kortweg het territorialiteitsbeginsel. Dit territorialiteitsbeginsel was
neergelegd in het tot 1 januari 1996 van kracht zijnde artikel 5, eerste
lid, onder a, van de Ioaw. In de Memorie van Toelichting bij artikel 5
(Kamerstukken II, 1985-1986, 19260, nr. 3) wordt allereerst opgemerkt
dat de uitsluiting van degenen, die anders dan vanwege vakantie buiten
Nederland verblijven, overeenkomt met de andere werkloosheidsregelingen.
Voorts wordt ten aanzien van de vraag wat onder tijdelijk verblijf moet
worden verstaan gewezen op de mogelijkheid om ingevolge artikel 14,
tweede lid, van de Ioaw hieromtrent nadere regels te stellen.
Van de tot 1 januari 1996 op grond van artikel 14, tweede lid, van de Ioaw
bestaande mogelijkheid om nadere regels te stellen ten aanzien van
het begrip tijdelijk verblijf in de Ioaw is geen gebruik gemaakt. In de
uitvoeringspraktijk is voor de uitleg van dit begrip destijds
aansluiting gezocht bij het daaromtrent bepaalde in de ABW en de daarop
gebaseerde Rww. In de in dat kader door de voormalige Afdeling voor de
geschillen van bestuur van de Raad van State gevormde jurisprudentie is
de juistheid van deze interpretatie bevestigd.
Met ingang van 1 januari 1996 is, onder intrekking van de Ioaw, de Ioaw in werking getreden. In laatstgenoemde wet ontbreekt een
delegatiebepaling zoals voordien opgenomen in artikel 14, tweede lid,
van de Ioaw. De Raad heeft in de geschiedenis van de totstandkoming van
de Ioaw geen enkel aanknopingspunt gevonden om aan te nemen dat voor de
uitleg van het in artikel 6, eerste lid, onder a, van de Ioaw
voorkomende begrip tijdelijk verblijf buiten Nederland een andere
richting zou moeten worden gekozen dan destijds ten aanzien van
hetzelfde, in artikel 5, eerste lid, onder a, van de Ioaw voorkomende
begrip is gedaan. Nu het hier in wezen gaat om een nadere uitwerking van
het zowel aan de Ioaw als de Abw ten grondslag liggende
territorialiteitsbeginsel, ligt het in de rede om voor die uitleg ook de
hier van belang zijnde uitwerking in de nadien tot stand gekomen
bijstandswetgeving en de ter zake door de Raad gevormde jurisprudentie
in ogenschouw te nemen. Dit spoort ook met het verzoek van de toenmalige
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de gemeentebesturen in
zijn door de rechtbank aangehaalde circulaire van 18 maart 1998 om
Ioaw-gerechtigden bij de uitvoering van artikel 6, eerste lid, onder a,
van de Ioaw op gelijke wijze te behandelen als Abw-gerechtigden. Door
ten aanzien van appellante analoge toepassing te geven aan de Regeling
gebruikelijke vakantieduur Abw heeft gedaagde geen blijk gegeven van een
onjuiste rechtsopvatting.
Wat betreft de grief dat gedaagde de belangen van appellante niet juist
heeft afgewogen overweegt de Raad dat voor de door appellante
voorgestane belangenafweging geen plaats is, gelet op het imperatieve
karakter van de hier aan de orde zijnde bepaling.
De bij besluit van 26 maart 2003 niet-ontvankelijk verklaarde bezwaren
De Raad stelt vast dat de rechtbank bij haar toetsing van het besluit
van 26 maart 2003, voorzover dit betrekking heeft op de door gedaagde
niet-ontvankelijk verklaarde bezwaren van appellante tegen de brief van
7 augustus 2002 en de besluiten van 22 en 23 augustus 2002, de in beroep
daartegen aangevoerde gronden heeft verworpen. Appellante heeft in hoger
beroep geen argumenten aangevoerd, waarom de overwegingen van de
rechtbank dienaangaande onjuist zijn.
De beëindiging met ingang van 27 oktober 2002
Vaststaat dat appellante in 2002 ruim meer dan 13 weken in Suriname
verblijf had gehouden toen zij op 27 oktober 2002 wederom vertrok naar
Suriname. De Raad ziet ook ter zake van de beëindiging van het recht op
uitkering met ingang van deze datum geen grond om het oordeel van de
rechtbank op dit onderdeel niet te volgen. Hij verwijst daarbij naar
hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de beëindiging van de
Ioaw-uitkering met ingang van 6 mei 2002.
Slotoverweging
Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet
slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.H.M.
Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.
Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.
|
|