|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/6377 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M. Noot, advocaat te Deventer, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 13 oktober
2004, reg.nr. AWB 04/215 Ioaw.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Per fax van 31 oktober 2005 heeft mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te
Deventer, de Raad laten weten zich in de plaats van mr. Noot als
gemachtigde van appellant te stellen.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 december 2005, waar voor
appellant is verschenen mr. Aarnoudse, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door F.J.M. Wijnberg, werkzaam bij de gemeente
Deventer.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 28 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant
vermeld dat zijn partner, [naam partner], inkomsten ontvangt van circa
f. 1.200,-- per maand. Bij besluit van 3 februari 2000 is appellant met
ingang van 2 januari 2000 een uitkering ingevolge de Ioaw toegekend. Bij
dit besluit is appellant onder meer medegedeeld dat de inkomsten van
[naam partner] in mindering zullen worden gebracht op zijn uitkering en
dat hij verplicht is maandelijks de inkomstenverklaring volledig in te
vullen.
Uit onderzoek in februari 2002 is gebleken dat met de hiervoor genoemde
inkomsten bij de betaling van appellants uitkering geen rekening is
gehouden. In verband hiermede heeft gedaagde bij besluit van 3 juli 2003
het recht op uitkering van appellant over de periode van 2 januari 2000
tot 1 juni 2002 herzien en de uitkering over die periode tot een bedrag
van 33.034,77 teruggevorderd. Aan dit besluit heeft gedaagde ten
grondslag gelegd dat appellant in de periode in geding zijn
inlichtingenverplichting in de zin van artikel 13, eerste lid, van de Ioaw
heeft geschonden door op de maandelijkse inkomstenverklaringen geen
melding te maken van de inkomsten van [naam partner].
Bij besluit van 16 januari 2004 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 3 juli 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 16 januari 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Daarbij wordt, evenals in eerste aanleg, een beroep op de dringende
redenen gedaan als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw.
Appellant is van oordeel dat bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen is
gewekt dat - nu gedaagde op de hoogte was van de inkomsten van [naam
partner] - de in geding zijnde inkomsten geen gevolgen voor de hoogte
van zijn uitkering zouden hebben.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat
gedaagde op de hoogte was van de inkomsten van [naam partner]. Anders
dan appellant vermag de Raad echter niet in te zien dat dit gegeven -
gezien ook de duidelijke bewoordingen van het toekenningsbesluit van 3
februari 2000 - hem zou ontslaan van de verplichting om de vraag op de
maandelijkse inkomstenverklaringen omtrent genoten inkomsten van
appellant dan wel zijn partner correct en volledig in te vullen. Door
dit na te laten heeft appellant naar het oordeel van de Raad de op hem
ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaw rustende
inlichtingenverplichting geschonden. Niet is gesteld en de Raad is ook
niet gebleken dat appellant vanwege gedaagde een ondubbelzinnige en
ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat hij van de inkomsten in geding
geen opgave hoefde te doen op de maandelijkse inkomstenverklaringen, dan
wel dat die inkomsten niet op de uitkering in mindering zouden worden
gebracht. De Raad is dan ook van oordeel dat het door appellant gedane
beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
Gezien het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde gehouden was
het recht op uitkering te herzien op grond van artikel 17, derde lid,
aanhef en onder a, van de Ioaw. De Raad ziet echter, gelet op de zich
onder de gedingstukken bevindende inkomstenverklaringen over de maanden
maart 2002 tot en met mei 2002 - waarop wel opgave van de inkomsten van
[naam partner] wordt gedaan -, geen grondslag voor de herziening over de
gehele periode in geding. Dit betekent dat, voorzover genoemde bepaling
ten grondslag is gelegd aan de herziening van het recht op uitkering
over de periode van maart 2002 tot en met mei 2002, het besluit van 16
januari 2004 op een onjuiste wettelijke grondslag berust. De rechtbank
heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank
zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 16
januari 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) vernietigen, voorzover daarbij de herziening van
het recht op uitkering is gehandhaafd over de periode van maart 2002 tot
en met mei 2002.
De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde
lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dit te vernietigen deel van het
besluit van 16 januari 2004 in stand te laten. Hij overweegt hiertoe dat
niet in geding is - en ook voor de Raad vaststaat - dat het recht op
uitkering van appellant in de maanden maart 2002 tot en met mei 2002 op
te hoge bedragen is vastgesteld, nu geen rekening is gehouden met de
inkomsten van [naam partner]. Gedaagde was dan ook ingevolge het
bepaalde in artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de Ioaw,
gehouden het recht op uitkering van appellant te herzien. In hetgeen
appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als
bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de Ioaw.
Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor
terugvordering van de ten onrechte verleende uitkering als bedoeld in
artikel 25, eerste lid, van de Ioaw over de gehele periode in geding.
De Raad is voorts van oordeel dat het door appellant gedane beroep op de
dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw
niet kan slagen. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de
Raad (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2002, LJN AF3082)
slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiλle
consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan
gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks
aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante
omstandigheden plaatsvindt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is de
Raad van zodanige consequenties niet gebleken. Hierbij merkt de Raad -
naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting nog naar voren heeft
gebracht - op dat de zogeheten beslagvrije voet als bedoeld in artikel
475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als regel voldoende
bescherming biedt om in het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.
De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- in
beroep en 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BELISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 16 januari 2004 voorzover het betreft de
herziening van het recht op uitkering over de periode van maart 2002 tot
en met mei 2002;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit
in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
1.288,--, te betalen door de gemeente Deventer aan de griffier van
de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Deventer aan appellant het in beroep en hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal 133,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr.
P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31
januari 2006.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) P.E. Broekman.
|
|