|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4942 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 10 augustus 2004, reg.nr. 03/2599.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2006, waar appellante
is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
M. Meijering, werkzaam bij de gemeente Buren.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante en haar echtgenoot ontvangen een periodieke uitkering op
grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw).
Nadat gedaagde aanvankelijk appellante en haar echtgenoot had
vrijgesteld van de aan de uitkering verbonden arbeidsverplichtingen als
bedoeld in artikel 35 van de Ioaw, heeft gedaagde bij het Regionaal
Indicatie Orgaan Rivierenland (hierna: Rio) medisch advies ingewonnen
ter zake van de arbeidsgeschiktheid van appellante.
Naar aanleiding van het advies van het Rio van 23 oktober 2002 heeft
gedaagde bij besluit van 17 december 2002 wederom de
arbeidsverplichtingen aan appellante opgelegd, waarbij is overwogen dat
appellante blijkens het medische advies geschikt is voor aangepaste
taken en dat zware taken door het Rio worden afgeraden.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft zich
naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is
gekomen nogmaals tot het Rio gewend. Bij schrijven van 21 maart 2003
heeft het Rio vragen van gedaagde beantwoord. Vervolgens is bij besluit
van 30 september 2003 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak het beroep tegen
het besluit van 30 september 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
Hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel
kunnen brengen dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Uitgangspunt van de Ioaw is dat een ieder primair zelf verantwoordelijk
is voor de voorziening in het bestaan. Dit uitgangspunt betekent dat aan
appellante de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van
de Ioaw dient te worden opgelegd tenzij redenen van medische of sociale
aard dan wel redenen gelegen in de aard en het doel van de uitkering
zich daartegen zouden verzetten. In dat geval kunnen burgemeester en
wethouders op grond van artikel 36 van de Ioaw besluiten verplichtingen
bedoeld in artikel 35 van de Ioaw niet op te leggen.
De Raad acht door appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt dat aan
haar de arbeidsplicht om medische dan wel om andere redenen niet zou
kunnen worden opgelegd. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank
dienaangaande heeft overwogen. Niet gezegd kan worden dat gedaagde,
bezien vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid, niet mocht afgaan op de
adviezen die het Rio ten behoeve van het primaire besluit van 17
december 2002 alsmede in de bezwaarfase aan gedaagde heeft doen
toekomen.
De verklaring van appellantes huisarts, bij wie de arts van het Rio ten
behoeve van zijn advies reeds informatie had ingewonnen, leidt ook de
Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring blijkt niet dat
appellante niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden. De
Raad tekent hierbij nog aan dat gedaagde, in navolging van het advies
van het Rio, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat appellante geschikt
wordt geacht voor het verrichten van aangepaste, niet zwaar lichamelijke
werkzaamheden.
De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Ten slotte ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, in
tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in
het openbaar op 14 februari 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.C. de Wit.
|
|