|
Uitspraak
04/7114 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Steenwijkerland, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. Chr. de Wal, advocaat te Assen, hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 12 november
2004, reg.nr. 04/100 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2006, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Wal, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door B. Hummel, werkzaam bij de
gemeente Steenwijkerland.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant ontving van 4 augustus 1999 tot 1 februari 2003 van gedaagde
een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) naar de
grondslag voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant
niet daadwerkelijk op het door hem opgegeven adres bij zijn ouders
woonde, doch een gezamenlijke huishouding voerde met [P.L. S.] op haar
adres te [woonplaats], heeft de sociale recherche een onderzoek
ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende
uitkering. In dat kader zijn onder meer observaties verricht en zijn
appellant en [P.L. S.] gehoord. Op grond van de resultaten van dit
onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25
maart 2003, heeft gedaagde onder andere geconcludeerd dat appellant
gedurende de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2003 zijn
woonplaats niet had in de gemeente Steenwijkerland.
Bij besluit van 2 juli 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9
december 2003, heeft gedaagde met toepassing van artikel 17, derde lid,
aanhef en onder a, van de Ioaw het recht op uitkering van appellant over
de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2003 herzien (lees:
ingetrokken) en de gedurende die periode verleende uitkering met
toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Ioaw tot een bedrag van
€ 5.513,36 van appellant teruggevorderd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 9 december 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 11 van de Ioaw bestaat recht op uitkering jegens
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende
woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit betekent dat, indien gedaagde met juistheid heeft vastgesteld dat
appellant ten tijde in geding niet meer zijn woonplaats had in de
gemeente Steenwijkerland, appellant reeds op die grond geen recht meer
had op een Ioaw-uitkering jegens gedaagde.
De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 11 van de Ioaw
dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de
hand van concrete feiten en omstandigheden.
De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat, gezien het
rapport van de sociale recherche van 25 maart 2003, voldoende
aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde in geding zijn
hoofdverblijf niet meer in de gemeente Steenwijkerland had. De Raad
heeft in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de door appellant
ten overstaan van de sociale recherche op 19 februari 2003 afgelegde en
vervolgens ondertekende verklaring, dat hij vanaf januari 2002 bij [P.L. S.] verbleef en dat hij vanaf die tijd meer bij haar dan thuis bij
zijn ouders was. Dat appellant zijn hoofdverblijf ten tijde hier in
geding in de woning van [P.L. S.] had, vindt ondersteuning in de
verrichte observaties. Uit de verslaglegging daarvan blijkt van een
frequente aanwezigheid van appellant bij [P.L. S.], hetgeen door
appellant niet is betwist. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld,
regelmatig naar zijn ouders ging in verband met de zorg die zij
behoefden, maakt niet dat appellant zijn hoofdverblijf niet bij [P.L.
S.] op haar adres te [woonplaats] had.
Nu vaststaat dat appellant in het betrokken tijdvak zijn woonplaats als
bedoeld in artikel 11 van de Ioaw niet had te Steenwijkerland, had hij
jegens gedaagde geen recht op uitkering. Door van de wijziging van zijn
adres aan gedaagde geen mededeling doen, heeft appellant zijn in artikel
13, eerste lid, van de Ioaw neergelegde inlichtingenverplichting
geschonden. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw. Gedaagde was dan
ook gehouden tot intrekking van het recht op uitkering over de
litigieuze periode over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd
ziet de Raad geen dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af
te zien.
Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het
betrokken tijdvak is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van
artikel 25, eerste lid, van de Ioaw, zodat gedaagde verplicht was tot
terugvordering van de ten onrechte verleende uitkering over deze periode
over te gaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen
dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw, op
grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van
terugvordering af te zien.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaag, zodat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en
mr. J.J.A. Kooijman en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid
van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21
maart 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|