|
Uitspraak
04/7292 IOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het Dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst
Zuidwest-Fryslân, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2005 oefent gedaagde de taken en bevoegdheden
in het kader van onder andere de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) uit die tot
genoemde datum werden uitgeoefend door het College van burgemeester en
wethouders van de gemeente Lemsterland. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van
de gemeente Lemsterland.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Leeuwarden van 18 november 2004, reg.nr. 04/958 IOAW.
De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld door mr. E. van Wolde,
werkzaam bij Rechtshulp Noord, bureau Groningen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2006, waar voor
appellant is verschenen mr. Van Wolde en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door F. Hulzinga, werkzaam bij de I.S.D.
Zuidwest-Fryslân.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant is op 6 februari 1986 van echt gescheiden van [echtgenote 1]
(hierna: [echtgenote 1]). Appellant is in 1999 opnieuw gehuwd met
[echtgenote 2]. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden op 5
december 2002.
Aan appellant is bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw)
verleend over de periode van 11 maart 2002 tot en met 30 september 2002.
Bij besluit van 26 november 2002 is het recht op bijstand van appellant
met ingang van 11 maart 2002 ingetrokken en zijn de kosten van bijstand
over evengenoemde periode van hem teruggevorderd. Bij besluit van 24
maart 2003 heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar gegrond
verklaard, het besluit van 26 november 2002 herroepen en in de plaats
daarvan bepaald dat het recht op bijstand van appellant wordt
ingetrokken met ingang van 1 augustus 2002 wegens het voeren van een
gezamenlijke huishouding met [echtgenote 1] op het adres [adres 1] te
[woonplaats]. Tegen het besluit van 24 maart 2003 is geen beroep
ingesteld.
Op 13 januari 2004 heeft appellant zich gemeld bij de lokale vestiging
van de Centrale organisatie werk en inkomen om een uitkering ingevolge
de Ioaw aan te vragen wegens het bereiken van de maximale duur van de
hem verleende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.
Bij besluit van 1 maart 2004 heeft gedaagde afwijzend beslist op de
aanvraag van appellant op grond van de volgende overwegingen:
"In uw situatie is, met toepassing van artikel 3 lid 4 onder a van
de Ioaw, sprake van een gezamenlijke huishouding met mevrouw [echtgenote
1]. Van een gezamenlijke huishouding is in ieder geval sprake, indien de
belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met
elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande
aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand zijn
aangemerkt als gehuwden.
Bovenstaande is in uw situatie het geval.
Mevrouw [echtgenote 1] beschikt over voldoende inkomsten uit arbeid bij
de fa. Sterk te [woonplaats] om in uw gezamenlijke bestaanskosten te
kunnen voorzien."
Bij besluit van 12 juli 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 1
maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 12 juli 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant is deze uitspraak in hoger beroep gemotiveerd
bestreden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Anders dan gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit
geval ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 3, vierde lid,
aanhef en onder a, van de Ioaw. In zijn uitspraak van 29 november 2005,
LJN AU7657, heeft de Raad bepaald dat het in strijd is met artikel 26
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(IVBPR) om bij de toepassing van het zogenoemde onweerlegbaar
rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw
in het geval van ex-gehuwden niet ook de temporele beperking van twee
jaar te hanteren zoals die (inmiddels) wordt gehanteerd bij personen die
eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. De
Raad ziet geen aanleiding om met betrekking tot het in essentie
gelijkluidende onderdeel a van artikel 3, vierde lid, van de Ioaw anders
te oordelen. Dit betekent dat, nu het huwelijk van appellant en
[echtgenote 1] ten tijde van de Ioaw-aanvraag langer dan twee jaar door
echtscheiding was ontbonden, gedaagde niet gerechtigd was om, uitgaande
van het hebben van hoofdverblijf van deze ex-echtgenoten in dezelfde
woning, met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van
de Ioaw het bestaan van een gezamenlijke huishouding zonder meer aan te
nemen in het geval van appellant. Het besluit van 12 juli 2004 kan dan
ook wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR niet in stand blijven.
De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak
voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende hetgeen de
rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het
besluit van 12 juli 2004 vernietigen.
De vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde
lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te
vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad op grond van
de volgende overwegingen ontkennend.
De rechtbank heeft terecht aangenomen dat appellant en [echtgenote 1]
ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 27 augustus
2003, LJN AN8548) is voor het aanmerken van woonruimte als een
zelfstandige woning onder meer een eigen toegang vereist, dat wil zeggen
dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen
en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben,
omdat zij huurder of eigenaar zijn. Nu appellant zijn woonruimte aan de
voorzijde op de eerste verdieping van het pand [adres 1] te [woonplaats]
slechts kon bereiken via de benedenverdieping van dat pand waarover
[echtgenote 1] zeggenschap had, is in dit geval niet aan het vereiste
van een eigen toegang voldaan.
De gedingstukken bevatten geen feitelijke gegevens waaruit kan worden
afgeleid dat appellant en [echtgenote 1] ten tijde hier van belang
voldeden aan het in artikel 3, derde lid, van de Ioaw opgenomen
criterium van de wederzijdse verzorging. Gedaagde heeft zich in het
besluit van 12 juli 2004 op het standpunt gesteld dat de vraag of er
werkelijk sprake is van "het zorgdragen voor elkaar" in dit
geval niet ter zake doet.
Het vorenstaande betekent dat er onvoldoende grondslag is om op grond
van artikel 3, derde lid, van de Ioaw het bestaan van een gezamenlijke
huishouding aan te nemen.
Resteert de vraag of voldaan is aan een van de overige situaties genoemd
in artikel 3, vierde lid, van de Ioaw op grond waarvan het bestaan van
een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen.
Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en
onder b, van de Ioaw is in dit geval niet voldaan. Ingevolge dit
artikelonderdeel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval
aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in
dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning
heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Het voor de
toepassing van de Ioaw en de daarop berustende bepalingen te hanteren
begrip kind is als volgt gedefinieerd in artikel 4, onder c, van de
Ioaw:
"het kind jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd
kind of pleegkind tot het huishouden van een ander dan de werkloze
werknemer behoort en voor wie de werkloze werknemer op grond van de
Algemene kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt of zal
ontvangen."
De twee uit de huwelijksrelatie van appellant met [echtgenote 1] geboren
kinderen kunnen niet als zodanig worden aangemerkt.
Aangezien in dit geval geen sprake was van een geldend
samenlevingscontract is artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de
Ioaw evenmin van toepassing.
Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een gezamenlijke
huishouding wegens een in aanmerking te nemen registratie is het
bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Ioaw in
samenhang met het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke
huishouding 1998, Stb. 1997, 790, (hierna: het Besluit) van belang.
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b ten eerste, van het Besluit
vermeldt als registratie als bedoeld in artikel 3, vierde lid, onderdeel
d, van de Ioaw, de gezamenlijke huishouding op grond van de Wet werk en
bijstand. Artikel 3, eerste lid, van het Besluit vermeldt niet de
gezamenlijke huishouding op grond van de Abw, terwijl in het Besluit een
bepaling vergelijkbaar met die in artikel 4 van het vervallen Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1995 ontbreekt. Anders
dan de gemachtigde van gedaagde ter zitting heeft gesteld, is er in dit
geval geen wettelijke grondslag aanwezig om wegens het bestaan (hebben)
van een in het Besluit aangewezen registratie een gezamenlijke
huishouding tussen appellant en [echtgenote 1] aan te nemen.
De Raad tekent bij het vorenstaande nog aan dat het niet op de weg van
de bestuursrechter maar op die van de wetgever ligt om een lacune in het
Besluit op te heffen.
Gedaagde zal worden opgedragen om met inachtneming van de uitspraak van
de Raad een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 juli 2004;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 644,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst
Zuidwest-Fryslân;
Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân aan
appellant het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A.
van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 21 maart 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M. Pijper.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|