|
Uitspraak
04/7211 NIOAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17
november 2004, reg.nr. 03/995 IOAW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 21 februari 2006, waar voor
appellant is verschenen mr. R. van Asperen, kantoorgenoot van mr. Van
Dijk, en waar gedaagde zich, zoals tevoren bericht, niet heeft laten
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellant heeft tot augustus 1992 als verpleegkundige gewerkt in een
ambtelijke functie. Van augustus 1992 tot en met mei 1995 heeft hij een
uitkering ontvangen op grond van een wachtgeldregeling. Aansluitend
heeft appellant bijstand ontvangen aanvankelijk op grond van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en vanaf 1 oktober 1996 op grond
van de Algemene bijstandswet. Van 1 april 1999 tot 1 april 2001 heeft
appellant gewerkt in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet
inschakeling werkzoekenden. Appellant heeft van 2 april 2001 tot 10
september 2001 een kortdurende uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (WW) ontvangen en van 10 september 2001 tot 9 september
2002 ziekengeld op grond van de Ziektewet. Met ingang van 9 september
2002 is appellant een uitkering toegekend op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op 3 februari 2002 heeft appellant een aanvraag ingediend om een
uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Bij besluit
van 23 april 2003 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen op de grond dat
appellant geen werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 2 van de
Ioaw.
Bij besluit van 19 augustus 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 23 april 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 19 augustus 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is in geschil of appellant voldoet aan de in artikel 2,
eerste lid, onderdeel c, onder 3, van de Ioaw genoemde voorwaarde om te
worden aangemerkt als een werkloze werknemer in de zin van die wet. Die
voorwaarde houdt in dat de betrokkene na de dag waarop hij werkloos is
geworden de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW,
inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76
van die wet moet hebben bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel
van blijvend geheel weigeren van de uitkering op grond van artikel 27,
eerste of tweede lid, van de WW van toepassing is.
De Raad stelt vast dat appellant op 2 april 2001 werkloos is geworden en
dat hij ter zake van die werkloosheid niet in aanmerking is gebracht
voor een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IIa van de WW. Appellant is
immers ter zake van die werkloosheid in aanmerking gebracht voor een
kortdurende uitkering bij werkloosheid als bedoeld in hoofdstuk IIb van
die wet. Appellant voldoet derhalve niet aan de in artikel 2, eerste
lid, aanhef en onderdeel c, onder 3, van de Ioaw genoemde voorwaarde.
Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 34 in verbinding
met artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) als gewezen
overheidswerknemer die het einde van de voor hem geldende duur van de
uitkering op grond van de WW heeft bereikt voor de toepassing van de
Ioaw geacht moet worden te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel 2,
eerste lid, onderdeel c, onder 3, van die wet.
Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat appellant niet kan
worden beschouwd als een gewezen overheidswerknemer als bedoeld in
artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de OOW. In dat artikel
wordt de eis gesteld dat de gewezen overheidswerknemer op de dag
voorafgaande aan de datum met ingang waarvan de WW op grond van de OOW
of de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 7 van de WW
op de overheidswerknemer van toepassing wordt, uit hoofde van zijn
voormalige dienstverband als gewezen overheidsheidswerknemer in het
genot is van bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, een uitkering
ter zake van arbeidsongeschiktheid of een wachtgeld. De Raad stelt vast
dat de WW op 1 januari 2001 op de overheidswerknemer van toepassing is
geworden en dat appellant op 31 december 2000 niet uit hoofde van zijn
voormalig dienstverband als gewezen overheidswerknemer in het genot was
van bezoldiging of uitkering in geval van ziekte, een uitkering ter zake
van arbeidsongeschiktheid of een wachtgeld. Appellant kon derhalve niet
als gewezen overheidswerknemer op grond van artikel 34 in verbinding met
artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de OOW voor de toepassing
van de Ioaw worden geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in artikel
2, eerste lid, onderdeel c, onder 3, van die wet.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en
het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van
Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C.
Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.C. Visser.
|
|