|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/1848 IOAW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 februari 2005, 04/416
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij
Duurstede (hierna: College).
Datum uitspraak: 23 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS
rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
In het kader van een gemeenschappelijke regeling heeft het College zijn
bevoegdheden per 1 januari 2006 overgedragen aan de directeur van de
regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug (hierna: RSD).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2006.
Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Roock.
De directeur van de RSD heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.
Heij, werkzaam bij de RSD.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij
volstaat hier met het volgende.
Bij beschikking van 24 juni 1998 heeft de kantonrechter te Utrecht de
arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever Danka Nederland
BV (hierna: Danka) met ingang van 30 juni 1998 ontbonden en aan
appellant ten laste van Danka een vergoeding toegekend van f 500.000,--
bruto. Appellant heeft vervolgens een lijfrenteverzekering afgesloten
bij Delta Lloyd Levensverzekering NV (hierna: Delta Lloyd) en is met
zijn voormalig werkgever overeengekomen dat deze de aan appellant
toegekende vergoeding rechtstreeks betaalt aan Delta Lloyd. In de
betreffende polis is onder meer opgenomen dat aan appellant ingaande 1
september 2000 tot 1 september 2007 jaarlijks een bedrag van f 92.103,-- bruto wordt uitbetaald, dat Delta Lloyd van elke uitkering
krachtens deze verzekering de verschuldigde loonbelasting zal inhouden
en dat deze uitkering wordt aangemerkt als loon uit vroegere
dienstbetrekking niet zijnde pensioen of een soortgelijke uitkering.
Van 30 juni 1998 tot 5 juli 2003 ontving appellant een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet. Op 20 juni 2003 heeft appellant aan het
College verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) naar de grondslag voor gehuwden.
Bij besluit van 25 juli 2003 heeft het College deze aanvraag afgewezen
op de grond dat appellant een uitkering uit hoofde van een stamrecht
ontvangt, welke de grondslag voor een echtpaar te boven gaat.
Bij besluit van 19 januari 2004 heeft het College het tegen het besluit
van 25 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit
van 19 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van
de rechtbank gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad verwijst allereerst naar zijn uitspraak van 19 april 2005 (LJN
AT4952) in een soortgelijke zaak. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat,
indien een in het kader van de ontbinding van een arbeidsovereenkomst
aan betrokkene toegekende vergoeding rechtstreeks aan een
levensverzekeringsmaatschappij is overgemaakt, de uit hoofde hiervan
toegekende stamrechtuitkering moet worden aangemerkt als inkomen in
verband met arbeid als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en
onderdeel g, van het Inkomensbesluit Ioaw. Daarbij heeft de Raad tevens
vastgesteld dat de in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van het
Inkomensbesluit Ioaw gemaakte, duidelijk omschreven uitzondering slechts
ziet op een eenmalige uitkering die aan de werknemer wordt betaald en
derhalve niet op een bedrag dat door de werkgever - in vorenbedoeld
kader - rechtstreeks wordt betaald aan de verzekeraar bij welke de
lijfrenteverzekering wordt afgesloten. De Raad ziet in hetgeen namens
appellant is aangevoerd geen aanleiding hierover thans in deze zaak
anders te oordelen.
Aangezien onbetwist vaststaat dat de stamrechtuitkering meer bedraagt
dan de ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de Ioaw
voor appellant vastgestelde grondslag is appellant derhalve terecht niet
voor een Ioaw-uitkering in aanmerking gebracht.
Het door appellant nog gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel, in die
zin dat ex-collegas onder gelijke omstandigheden in andere gemeenten
wel een Ioaw-uitkering is toegekend, slaagt niet, reeds omdat het
besluiten van een ander bestuursorgaan betreft. Voorts merkt de Raad -
volledigheidshalve - naar aanleiding van het verhandelde ter zitting nog
op dat een bestuursorgaan niet gehouden kan worden geacht onverkort te
blijven vasthouden aan een in een eerdere zaak ingenomen, en nadien
onjuist gebleken, standpunt.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, met
verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
Nu het hoger beroep niet slaagt is voor een veroordeling tot
schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient
daarom te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad, ten slotte, geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A.
Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 23 mei 2006.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|