|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3625
IOAW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 mei 2005, 04/1004
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet
(hierna: College).
Datum uitspraak: 27 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15
september 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich
laten vertegenwoordigen door H. van der Kolk en R. Sintmaartensdijk.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant is geboren op 10 maart 1943 en heeft de Nederlandse
nationaliteit. In 1978 is appellant naar Groot-Brittannië verhuisd.
Daar heeft hij enkele jaren gewerkt. Vanaf juli 1981 heeft appellant een
Engelse werkloosheidsuitkering ontvangen. Na een hartinfarct heeft hij
van 14 januari 1988 tot 28 juli 1988 een Britse sickness benefit
ontvangen en aansluitend een Britse invalidity benefit. In 1988 is
appellant met behoud van zijn invalidity benefit naar Nederland
teruggekeerd. Bij besluit van 9 februari 1998 heeft het Britse
Department of Social Security aan appellant medegedeeld met dat hij
ingang van 28 januari 1998 als arbeidsgeschikt zou worden behandeld
omdat hij de zogenoemde All Work Test questionnaire niet had
geretourneerd. De invalidity benefit (thans: incapacity benefit) werd om
die reden geblokkeerd. Het besluit van 9 februari 1998 is rechtens
onaantastbaar geworden. Nadien heeft appellant geen uitkeringen meer
ontvangen.
Op 18 december 2003 heeft appellant zich als werkzoekende ingeschreven
bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI). Bij formulier gedateerd 29
december 2003 heeft appellant een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw). Het College heeft deze aanvraag bij primair besluit
van 3 maart 2004 afgewezen. Hiertoe heeft het College overwogen dat
appellant niet is aan te merken als werkloze werknemer in de zin van
artikel 2 van de Ioaw, nu hij geen uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Voorts kan appellant volgens het
College geen aanspraak ontlenen aan Verordening EEG 1408/71.
Bij het bestreden besluit van 12 juli 2004 heeft het College het bezwaar
tegen het besluit van 3 maart 2004 ongegrond verklaard en dit besluit
ongewijzigd in stand gelaten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet voldoet aan de
voorwaarde genoemd in artikel 2, aanhef en onder c, ten 4e, van de Ioaw.
Appellant ontving toen hij de aanvraag om een Ioaw-uitkering indiende
geen arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in deze bepaling en
evenmin een - hiermee mogelijk gelijk te stellen - Britse invalidity
benefit. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet op haar weg de
rechtmatigheid te beoordelen van het besluit waarbij de invalidity
benefit werd geblokkeerd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond
verklaard.
In hoger beroep heeft appellant - zakelijk weergegeven - gesteld dat de
ontvangst van een uitkering op grond van de artikelen 67 en 71 van de
Verordening, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, zou moeten worden gelijkgesteld
met het verrichten van arbeid in loondienst.
Het College meent dat appellant geen beroep kan doen op de Verordening
nu er in zijn geval geen sprake is van coördinatieproblematiek.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 2 van de Ioaw luidt, voorzover hier van belang:
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
werkloze werknemer:
a. de persoon die:
1°. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2°. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden,
en
3°. nadien de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de
Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93), inclusief een eventuele verlenging van
deze duur op grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt (...)
b. de persoon die:
1°. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2°. na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar werkloos is geworden,
en
3°. nadien de volledige uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIb van de
Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op
grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt (...)
c. de persoon die:
1°. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2°. voor het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden;
3°. na de dag waarop hij werkloos is geworden de volledige
uitkeringsduur bedoeld in hoofdstuk IIa van de Werkloosheidswet,
inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76
van die wet, heeft bereikt (...) en
4°. recht heeft op uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Liquidatiewet ongevallenwetten of
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.”
Voorzover de werkloosheid van appellant moet worden beschouwd als een
herleving van de op 1 juli 1981 ingetreden werkloosheid, geldt het
volgende. Appellant had toen de leeftijd van 50 jaar nog niet bereikt.
In dat geval zou appellant ten tijde van de aanvraag om een Ioaw-uitkering slechts kunnen worden beschouwd als werkloze werknemer in
de zin van de Ioaw (werkloze werknemer), indien hij op dat moment tevens
aanspraak had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in
artikel 2, aanhef en onder c, ten 4e, van de Ioaw. De rechtbank heeft
terecht vastgesteld dat appellant ten tijde van de aanvraag niet een
dergelijke uitkering ontving. Evenmin ontving appellant een uitkering
uit een andere lidstaat die op grond van het gemeenschapsrecht voor
gelijkstelling met een Nederlandse uitkering als bedoeld in artikel 2,
aanhef en onder c, ten 4e, van de Ioaw in aanmerking zou kunnen komen.
Appellant kan dus niet op grond van artikel 2, aanhef en onder c, van de
Ioaw worden aangemerkt als een werkloze werknemer.
Voorzover er met ingang van de blokkering van zijn Britse invalidity
benefit (28 januari 1998) dan wel met ingang van zijn inschrijving als
werkzoekende bij het CWI (18 december 2003) een nieuw geval van
werkloosheid aanwezig moet worden geacht, moet de vraag of appellant
dient te worden aangemerkt als een werkloze werknemer worden beantwoord
aan de hand van artikel 2, aanhef en onder a, ten 2e, respectievelijk
artikel 2, aanhef en onder b, ten 3e van de Ioaw. In beide gevallen kon
appellant op het moment van de aanvraag uitsluitend als werkloze
werknemer in de zin van de Ioaw worden aangemerkt als hij op dat moment
ter zake van de nieuwe werkloosheid de volledige uitkeringsduur bedoeld
in hoofdstuk IIa, respectievelijk hoofdstuk IIb van de WW had bereikt.
Appellant heeft echter op en na 28 januari 1998 geen enkele
werkloosheidsuitkering ontvangen uit Nederland of uit een andere
lidstaat van de EG. Hij voldoet daarom niet aan de voorwaarde neergelegd
in artikel 2, aanhef en onder a, ten 2e, respectievelijk in artikel 2,
aanhef en onder b, ten 3e, van de Ioaw. Het gemeenschapsrecht kan
appellant in deze situatie niet baten.
Appellant heeft gesteld dat tijdvakken waarin hij een Britse uitkering
heeft ontvangen, moeten worden gelijkgesteld met tijdvakken van arbeid
in Nederland. De Raad ziet niet in op welke wijze een dergelijke
gelijkstelling, waarvoor de Raad overigens in algemene zin geen
grondslag ziet in het gemeenschapsrecht, appellant in dit geding zou
kunnen baten. Een dergelijke gelijkstelling zou er immers niet toe
leiden dat appellant alsnog aan de voorwaarden zou voldoen om als
werkloze werknemer in de zin van de Ioaw te kunnen worden aangemerkt.
Gelet op het bovenstaande heeft het College de aanvraag van appellant om
een uitkering ingevolge de Ioaw op goede gronden afgewezen. De
aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en N.J. van
Vulpen-Grootjans en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 27 oktober 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|