|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4471
NIOAW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 augustus 2004,
03/1552 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf
(hierna: College).
Datum uitspraak: 14 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger
beroep aangetekend.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 17 januari 2006, waar
partijen, met berichtgeving, niet zijn verschenen.
De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend teneinde nadere
informatie in te winnen.
Partijen hebben schriftelijk gereageerd op de nadere, door de Raad aan
hen toegezonden stukken.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een
nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft
gesloten.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet Inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw),
naar de norm voor een alleenstaande ouder, ter aanvulling op haar
inkomsten uit een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering. In verband met het overlijden van de
ex-partner van appellante is aan haar met ingang van 31 augustus 2002
recht op een ABP-weduwenpensioen toegekend tot een bedrag van € 86,63
per maand. Voorts is in verband hiermee aan de twee minderjarige
kinderen van appellante recht op een ABP-wezenpensioen toegekend tot een
maandelijks bedrag van € 120,67 per kind. Appellante ontvangt deze
pensioenen op haar bankrekening.
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het College aan appellante
meegedeeld, voor zover hier van belang, dat de aan haar kinderen
toegekende wezenpensioenen, volledig op haar Ioaw-uitkering in mindering
worden gebracht.
Bij besluit van 21 oktober 2003 heeft het College het bezwaar tegen het
besluit van 25 februari 2003 ongegrond verklaard en het verzoek om
vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de
rechtbank overwogen dat de wezenpensioenen aangemerkt dienen te worden
als inkomen in verband met arbeid in de zin van artikel 8, eerste lid,
van de Ioaw. Dit inkomen dient naar het oordeel van de rechtbank, in
samenhang met het bepaalde omtrent het inkomen in de zin van artikel 7,
tweede lid, aanhef en onder c, van het Inkomensbesluit Ioaw (Besluit van
24 december 1986, Stb. 1986, 658) in mindering te worden gebracht op de
Ioaw-uitkering van appellante.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Daarbij heeft zij haar standpunt herhaald dat de toepasselijke
wettelijke bepalingen geen grond bieden om de aan haar kinderen
toekomende wezenpensioenen in mindering te brengen op haar
Ioaw-uitkering.
Gelet op het standpunt van partijen heeft de Raad bij brief van 24
januari 2006 aan de Stichting pensioenfonds ABP (hierna: ABP) de vraag
voorgelegd of de kinderen van appellante een zelfstandige aanspraak
hebben op de aan hen toegekende wezenpensioenen of dat er sprake is van
een aan appellante toekomend pensioen dat dient ter verzorging van de
kinderen. Het ABP heeft bij brief van 16 maart 2006 meegedeeld dat de
kinderen van appellante op grond van het Pensioenreglement Stichting
Pensioenfonds ABP recht hebben op ABP-wezenpensioen, zodat er bij beide
kinderen sprake is van een zelfstandige aanspraak op dit pensioen.
Hieraan heeft het ABP nog toegevoegd dat uitbetaling van de
wezenpensioenen in ieder geval tot het 18e levensjaar van de kinderen
plaatsvindt aan de voogd, in dit geval appellante.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad is van oordeel dat de aan de kinderen van appellante toegekende
wezenpensioenen weliswaar naar hun aard als inkomen in verband met
arbeid kunnen worden aangemerkt maar uit dien hoofde niet tot het
inkomen van appellante kunnen worden gerekend, zoals bedoeld in de zin
van artikel 8, eerste lid, van de Ioaw.
De Raad neemt daarbij allereerst de door het ABP bij brief van 16 maart
2006 verstrekte informatie in aanmerking. Voorts leidt de Raad uit de
tekst van artikel 8, eerste lid, van de Ioaw af dat onder inkomen, in de
zin van voornoemd artikel, slechts dat inkomen dient te worden verstaan
dat aan de uitkeringsgerechtigde zelf - en aan een eventuele partner -
toekomt. De Raad verwijst in dit verband nog naar de nota van
toelichting bij artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw,
waarin de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor
zover hier van belang, de volgende toelichting heeft gegeven.
“1. Algemeen
(...)
Recht op uitkering bestaat indien het eigen inkomen van de betrokkenen
lager is dan het bedrag van het toepasselijke sociaal minimum. Onder
eigen inkomen wordt in de Ioaw verstaan: alle vormen van inkomen uit of
in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van de werkloze
werknemer en de echtgenoot tezamen. Dit is vastgelegd in artikel 7,
eerste lid (sedert 1 januari 1996: artikel 8, eerste lid), van de wet.
(...)”.
Op grond van het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat het
standpunt van het College, dat de inkomsten uit de aan de kinderen van
appellante toegekende wezenpensioenen in mindering dienen te worden
gebracht op de Ioaw-uitkering van appellante, onhoudbaar is. Het besluit
van 21 oktober 2003 is derhalve in strijd met de wet.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met
vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank
zou behoren te doen, het beroep van appellante gegrond verklaren en het
besluit van 21 oktober 2003 wegens strijd met de wet vernietigen.
Nu het primaire besluit van 25 februari 2003 berust op dezelfde -
onhoudbaar gebleken - grondslag als het besluit op bezwaar van 21
oktober 2003, ziet de Raad voorts aanleiding om, gebruik makend van de
in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het
besluit van 25 februari 2003 te herroepen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Aangezien appellante reeds in haar
bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten,
worden deze kosten, nu het primaire besluit wordt herroepen wegens aan
het College te wijten onrechtmatigheid, hierbij in aanmerking genomen.
De proceskosten worden met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in
verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb begroot op €
483,-- in bezwaar, op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger
beroep wegens verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 oktober 2003;
Herroept het besluit van 25 februari 2003, voor zover dit betrekking
heeft op de verlaging van de Ioaw-uitkering in verband met de inkomsten
uit wezenpensioenen;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 1.127,--, te betalen door de gemeente Landgraaf aan de griffier
van deze Raad;
Bepaalt dat de gemeente Landgraaf aan appellante het in beroep en hoger
beroep betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en A.B.J. van
der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 14 november 2006.
(get.) R.M. van Male.
(get.) M. Pijper.
|
|