|
•
LJN ZF1673 -
Ter uitvoering
van de bij de Wet TAV ingevoerde bonus/malusregeling hebben tien
bedrijfsverenigingen ten aanzien van ieder van de zestien werkgevers besluiten
genomen waarbij aan hen een geldelijke bijdrage (malus) is opgelegd in
verband met werknemers die naar het oordeel van de bedrijfsverenigingen
binnen de termen van artikel 59i van de AAW vielen. Kunnen de
malusbesluiten van de bedrijfsverenigingen de toetsing aan het geschreven
en het ongeschreven recht doorstaan? Het debat tussen partijen
concentreert zich daarbij vooral op de vraag of in het licht van artikel 6
van het EVRM de malusbeslissing beschouwd dient te worden als een "criminal
charge" of als "civil obligation" en welke invloed die
kwalificatie heeft op de toetsing door de rechter. Daarbij speelt een
bijzondere rol het standpunt van de bedrijfsverenigingen aan de ene kant
dat de aan de malusoplegging ten grondslag liggende beslissing tot
toekenning van een AAW/WAO-uitkering aan de werknemer (en het voortduren
van de uitkering) niet door de rechter getoetst mag worden, zodat de
inbreng van privacygevoelige medische en arbeidskundige gegevens niet aan
de orde is. Daartegenover hebben de werkgevers met een beroep op artikel 6
van het EVRM betoogd dat de juistheid van de AAW/WAO-uitkering wel bij de
toetsing betrokken moet worden en dat de (dreigende) schending van de
privacybelangen van de werknemer leidt tot een samenloop van
grondrechtenbelangen, die impliceert dat de malusregeling in abstracto
getoetst en in haar toepassing in strijd zou komen met de artikelen 6 en 8
van het EVRM, zodat de regeling van artikel 59i en volgende van de
AAW onverbindend zou moeten worden verklaard.
|
|