|
Uitspraak
97/8236
TW en 97/8241 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 2 november 1995 (besluit 1) heeft appellant met
toepassing van artikel 20 van de Toeslagenwet (TW), zoals die bepaling
luidde ten tijde hier van belang, van gedaagde teruggevorderd een bedrag
van f 40.013,55 ter zake van hetgeen op grond van die wet onverschuldigd
aan gedaagde was betaald.
Bij besluit van 29 mei 1996 (besluit 2) heeft appellant een
effectueringsbeslissing genomen onder andere inhoudend dat gedaagde een
bedrag van f 11.323,37 ineens aan appellant dient te betalen onder
aftrek van hetgeen gedaagde reeds aan appellant heeft betaald.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 25
augustus 1997 de tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen gegrond
verklaard en die besluiten vernietigd.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij brieven van
16 en 22 oktober 1997 heeft hij de gronden van het hoger beroep
uiteengezet.
Namens gedaagde heeft mr. L.R.G. Uneken, advocaat te Zwolle, op 9
december 1997 een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 april
1999, waar voor appellant is verschenen mr. E.T.B. Lap, werkzaam bij
Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door mr. Uneken.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende - tussen
partijen vaststaande - feiten en omstandigheden.
Gedaagde was laatstelijk sedert (...) 1983 werkzaam als predikant,
verbonden aan de (...) Kerk. In verband met een sedert 8 december 1986
bestaande volledige arbeidsongeschiktheid voor zijn werkzaamheden heeft
gedaagde zich op 30 december 1987 bij appellant gemeld voor een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Bij
besluit van 16 juni 1988 is gedaagde door appellant ingaande 7 december
1987 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge die wet naar
een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering werd conform
gedaagdes machtiging overgemaakt naar de bankrekening van de kerkvoogdij
van de (...) Gemeente te C. Op 3 juni 1988 heeft gedaagde appellant
verzocht hem in aanmerking te brengen voor een toeslag op grond van de
TW. Op het door hem ondertekende aanvraagformulier heeft gedaagde
vermeld dat hij naast zijn uitkering ingevolge de AAW geen andere
inkomsten genoot. Bij brief van 2 augustus 1988 is gedaagde door de Raad
van Predikantstractementen in aanmerking gebracht voor een kerkelijk
invaliditeitspensioen ter hoogte van f 39.780,- per jaar, uitgekeerd in
maandelijkse termijnen van f 3.315,-. Op 31 augustus 1988 heeft
gedaagdes echtgenote telefonisch aan appellants buitendienstbeambte R.
van de Wal bevestigd, dat gedaagde naast zijn uitkering ingevolge de AAW
geen andere inkomsten genoot. Bij besluit van 7 oktober 1988 heeft
appellant gedaagde met ingang van 7 december 1987 een toeslag ingevolge
de TW toegekend. Naar aanleiding van een desbetreffend telefonisch
verzoek werd gedaagdes uitkering per 1 november 1988 rechtstreeks op
gedaagdes bankrekening gestort. Op aan gedaagde op 8 juli 1991 en 9
september 1992 vanwege appellant toegezonden vragenformulieren
beantwoordde gedaagde de vraag of hij een uitkering of andere inkomsten
naast zijn uitkering ingevolge de AAW ontving ontkennend. Deze vraag
heeft hij eveneens ontkennend beantwoord op het hem op 7 oktober 1993
toegezonden vragenformulier, doch bij de beantwoording van een
vervolgvraag naar de aard en hoogte van de uitkering maakte hij toen wel
melding van het door hem ontvangen kerkelijk invaliditeitspensioen.
Eerst nadat gedaagde het hem op 6 november 1994 toegezonden
vragenformulier, dat op dezelfde wijze is beantwoord als dat in 1993,
had teruggezonden aan appellant, heeft deze geconcludeerd dat gedaagde
ten onrechte in aanmerking was gebracht voor een toeslag ingevolge de
TW.
Dit was voor appellant reden gedaagde bij brief van 13 januari 1995 mede
te delen dat hem over de periode van 1 augustus 1988 tot 1 februari 1995
ten onrechte dan wel teveel uitkering ingevolge de TW was betaald en dat
tot terugvordering zou worden overgegaan. De betaling van de toeslag
werd met ingang van 1 februari 1995 geschorst.
Bij besluit 1 heeft appellant gedaagde medegedeeld, dat gedaagde, gelet
op de inkomsten die hij vanaf 7 december 1987 had, per die datum geen
recht had op toeslag ingevolge de TW, zodat door appellant over de
periode van 7 december 1987 tot 1 februari 1995 een bedrag van f
54.825,53 onverschuldigd aan gedaagde was betaald. Aangezien deze
betaling volgens appellant aan gedaagdes toedoen was te wijten, heeft
appellant primair besloten de over de periode van 13 januari 1990 tot 1
februari 1995 onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag van f
40.013,55 van gedaagde terug te vorderen. Appellant is er daarbij van
uitgegaan dat hij eerst in januari 1995 op de hoogte werd gesteld van
gedaagdes inkomsten uit het kerkelijk pensioen.
Subsidiair stelt appellant zich op het standpunt dat het gedaagde
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat appellant onverschuldigd toeslag
betaalde. De hoogte van de terugvordering op de subsidiaire grond is
beperkt tot een bedrag van f 11.323,37, betrekking hebbend op de periode
van 1 februari 1993 tot 1 februari 1995.
Besluit 2 is voortgevloeid uit tussen partijen vanaf augustus 1995
gevoerde onderhandelingen. Nadat enkele voorstellen van de zijde van
gedaagde gedaan door appellant van de hand zijn gewezen, en gedaagde een
voorstel van appellant had verworpen, heeft appellant, naar aanleiding
van het laatste voorstel van gedaagde, bij besluit 2 gedaagde
medegedeeld dat hij instemt met gedaagdes voorstel om een bedrag van f
11.323,37 ineens terug te betalen onder aftrek van een bedrag van f
1.200,- dat reeds door gedaagde was betaald. Tevens werd in die brief
door appellant bevestigd dat het terugbetalingsvoorstel niet moet worden
gezien als een verzoek om kwijtschelding van het resterende
terugvorderingsbedrag. Appellant stemt in met het bedoelde
betalingsvoorstel in afwachting van de rechterlijke uitspraak inzake het
geschil betreffende de terugvordering en hij behoudt zich het recht voor
om na de rechterlijke uitspraak een nieuwe regeling te treffen.
De rechtbank heeft de bestreden besluiten vernietigd.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak van oordeel dat vast is
komen te staan dat appellant in ieder geval vanaf 1 augustus 1988
onverschuldigd toeslag aan gedaagde heeft betaald, omdat gedaagde in elk
geval vanaf die datum geen recht had op toeslag. Voorts achtte de
rechtbank appellant bevoegd hetgeen hij onverschuldigd aan gedaagde aan
toeslag heeft betaald, met toepassing van artikel 20, eerste lid, onder
a, van de TW terug te vorderen, omdat de rechtbank met appellant van
oordeel is dat het aan gedaagdes toedoen te wijten is dat appellant
onverschuldigd heeft betaald.
Naar aanleiding van hetgeen namens gedaagde tegen dit onderdeel van de
aangevallen uitspraak naar voren is gebracht, hetgeen grotendeels een
herhaling vormt van zijn te dien aanzien in eerste aanleg bepleite
standpunt, overweegt de Raad dat hij het oordeel van de rechtbank
hieromtrent onderschrijft op de door de rechtbank gebezigde gronden. Dat
betekent dat ook de Raad van oordeel is dat appellant zich terecht
bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan de juist genoemde bepaling.
Met betrekking tot de vraag over welke periode appellant hetgeen hij
onverschuldigd aan gedaagde heeft betaald mocht terugvorderen alsmede of
de wijze waarop appellant van de betreffende bevoegdheid gebruik heeft
gemaakt de rechterlijke toetsing kan doorstaan, heeft de rechtbank in de
aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"In geval sprake is van onverschuldigde betaling door toedoen van
de belanghebbende is verweerder bevoegd gedurende 5 jaar na de dag van
betaalbaarstelling terug te vorderen hetgeen onverschuldigd is betaald.
In het onderhavige geval heeft verweerder zijn eerste
terugvorderingshandeling verricht bij schrijven d.d. 13 januari 1995.
Dit betekent dat de periode van 5 jaar het tijdvak bestrijkt dat ligt
tussen 13 januari 1990 en 13 januari 1995. Voor de vraag of ook het over
deze periode onverschuldigd betaalde bedrag aan toeslag volledig mag
worden teruggevorderd, is echter ook nog van belang of de
bedrijfsvereniging tijdig na de ontvangst van relevante informatie actie
heeft ondernomen. Dat is hier niet het geval geweest. Immers, reeds
middels het door de bedrijfsvereniging op 18 oktober 1993 terugontvangen
vragenformulier was deze op de hoogte van eisers kerkelijk pensioen. Van
de bedrijfsvereniging had dan ook mogen worden verwacht dat zij binnen
zes maanden, derhalve voor 18 april 1994, een adequate reactie op de
informatie had gegeven. De bedrijfsvereniging heeft echter niet eerder
dan op 13 januari 1995 een dergelijke reactie gegeven. Derhalve moet
worden geconcludeerd dat de wijze waarop de bedrijfsvereniging van haar
terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt de (beperkte)
rechterlijke toetsing niet kan doorstaan voorzover de terugvordering
betrekking heeft op de periode gelegen na 18 april 1994. Het bestreden
besluit dient dan ook vernietigd te worden. Ten overvloede wordt
opgemerkt, dat een terugvordering welke zich beperkt tot de periode van
13 januari 1990 en 18 april 1994 de rechterlijke toetsing wel zou kunnen
doorstaan."
Tegen dit gedeelte van de aangevallen uitspraak is het hoger beroep van
appellant, voor zover betrekking hebbend op besluit 1, gericht. In zijn
aanvullend beroepschrift heeft appellant daaromtrent het volgende
aangevoerd:
In casu heeft betrokkene bij zijn aanvraag gemeld geen andere
inkomsten of uitkeringen te hebben dan zijn AAW- uitkering. Ook nadat
hem bij brief van 2 augustus 1988 door de Raad voor de
Predikantstractementen was meegedeeld dat hem een invaliditeitspensioen
werd toegekend ingaande 1 augustus 1988 heeft betrokkene dit niet aan
ons medegedeeld. Op 31 augustus 1988 bevestigde betrokkenes echtgenote
telefonisch dat betrokkene geen andere inkomsten genoot. Ook nadat
betrokkene in 1991 en 1992 vragenformulieren kreeg toegezonden, meldde
hij niet dat hij een kerkelijk pensioen genoot, ondanks de
uitdrukkelijke vraag terzake op het formulier. Pas op het
vragenformulier van 7 oktober 1993 maakt betrokkene voor het eerst
melding van het feit dat hij pensioeninkomsten geniet. De ingangsdatum
wordt echter niet vermeld. Wij zijn derhalve van mening dat in casu
sprake is van de situatie dat betrokkene ondanks eenduidige
vraagstelling naar de betreffende gegevens, deze niet verstrekt en ook
niet op enigerlei andere wijze iets heeft meegedeeld. Conform ons beleid
is in casu terecht afgezien van het hanteren van een
zorgvuldigheidstermijn van zes maanden ten aanzien van de primaire
terugvorderingsgrond (a-bepaling). Primair wordt derhalve terecht
teruggevorderd over de periode van 13 januari 1990 tot 1 februari
1995."
De Raad overweegt daaromtrent, in de lijn van hetgeen hij eerder heeft
overwogen - ten deze zij verwezen naar 's Raads uitspraak van 30
december 1998, gegeven onder nr. 97/11207 ZW - het volgende.
De in de jurisprudentie van de Raad ontwikkelde termijn waarbinnen de
uitvoeringsinstelling belangrijke signalen dat onverschuldigd is
betaald, dient te hebben verwerkt, hangt samen met de aan de
uitvoeringsinstelling te stellen eis dat de naleving van de
mededelingsverplichting effectief wordt gecontroleerd. Dit houdt ook in
dat adequaat moet worden gereageerd op aanwijzingen dat geen of minder
recht bestaat op uitkering met het doel om het doen van onverschuldigde
betalingen te beperken. Bij nalatigheid in dit opzicht zullen bij de
terugvordering bepaalde grenzen niet kunnen worden overschreden zonder
in strijd te komen met de (thans) in artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting tot zorgvuldige afweging
van de in aanmerking komende belangen tenzij sprake is van opzettelijk
verzwijgen van de van belang zijnde gegevens. Bij een beperking van de
terugvorderingsperiode tot zes maanden na de ontvangst van een signaal
als hier bedoeld wordt deze grens geacht niet te zijn overschreden.
Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld is in dit geval door toedoen van
gedaagde toeslag uitgekeerd nu gedaagde appellant niet onmiddellijk
eigener beweging, noch - aanvankelijk - desgevraagd, op de hoogte heeft
gebracht van het feit dat hij naast zijn AAW-uitkering inkomsten genoot
uit het kerkelijk pensioen, terwijl het gedaagde redelijkerwijs
duidelijk moet zijn geweest dat deze inkomsten van invloed konden zijn
op zijn recht op toeslag. Naar het oordeel van de Raad bieden de
beschikbare gegevens echter geen toereikende grond om tot het oordeel te
komen dat opzet in het spel is geweest in die zin dat gedaagde willens
en wetens informatie heeft achtergehouden met het kennelijke oogmerk om
zijn toeslag niet in gevaar te brengen. Gezien het voorgaande kan de
Raad appellant niet volgen in hetgeen hij daaromtrent heeft aangevoerd.
De rechtbank heeft dan ook terecht het primaire gedeelte van het
bestreden besluit niet houdbaar geacht.
Vervolgens is de - niet door de rechtbank expliciet beantwoorde - vraag
aan de orde of het subsidiaire gedeelte van dat besluit in rechte stand
kan houden.
Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad wijst erop dat
appellant in zijn aanvullend hoger beroepschrift heeft opgemerkt dat hij
bij de hantering van de subsidiaire grond tot terugvordering ten
onrechte heeft afgezien van het hanteren van een zorgvuldigheidstermijn
van zes maanden. Aangezien appellant subsidiair artikel 20, eerste lid,
onder b, van de TW, heeft toegepast op grond van welke bepaling moet
vaststaan dat het de betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat
appellant onverschuldigd toeslag betaalde, kan volgens appellant geen
sprake zijn van kennelijke opzet. Onder toepassing van deze bepaling,
met inachtneming van de meer vermelde zorgvuldigheidstermijn, alsmede
rekening houdend met een door appellant in dit soort van gevallen toe te
passen matiging van 10% in verband met de volgens appellant te late
verzending van de terugvorderingsbeslissing, heeft appellant zich alsnog
op het standpunt gesteld dat het door appellant van gedaagde terug te
vorderen bedrag f 6.110,94 netto in plaats van het in het bestreden
besluit vermelde bedrag van f 11.323,37 netto bedraagt.
Gezien het zojuist overwogene komt de Raad tot de conclusie dat de
rechtbank besluit 1 terecht heeft vernietigd.
Besluit 2 kan, omdat de juistheid van het in dat besluit genoemde bedrag
afhankelijk is van de omvang van het in besluit 1 teruggevorderde
bedrag, in rechte eveneens geen stand houden. Derhalve heeft de
rechtbank ook dit besluit terecht vernietigd.
Gezien het voorgaande slagen appellants grieven in hoger beroep niet. De
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,- voor verleende
rechtsbijstand.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,-
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W.
van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|