|
Uitspraak
96/8381
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A., wonende te B., appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en
aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens
verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij uitspraak van 12 augustus 1996 heeft de rechtbank te Alkmaar het
beroep van appellant tegen een besluit van gedaagde van 17 november 1995
ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van een
enkelvoudige kamer van de Raad op 21 juli 1998, waar partijen niet zijn
verschenen.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Partijen hebben vragen beantwoord.
De enkelvoudige kamer van de Raad heeft vervolgens besloten de zaak te
verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van een meervoudige kamer
van de Raad op 16 maart 1999. Appellant is daar in persoon verschenen,
terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door S.J.M. Huisman,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zijn werkzaamheden als medewerker in een pizzeria
gedurende 20 uren per week op 7 januari 1992 in verband met reumatoďde
artritis moeten staken. Gedaagde heeft appellant met ingang van 6
januari 1993 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 17 mei 1993 heeft gedaagde appellant een toeslag
ingevolge de Toeslagenwet (TW) geweigerd, onder overweging dat het
gezinsinkomen, bestaande uit appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de inkomsten uit arbeid van zijn
partner tezamen meer bedroegen dan het wettelijk minimumloon.
Bij besluit van 15 februari 1994 heeft gedaagde appellant wederom een
toeslag ingevolge de TW geweigerd. Dit maal werd naast appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen de uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (WW) van zijn partner in aanmerking genomen.
Appellant was van 25 september 1994 tot begin januari 1995 met zijn
gezin tijdelijk in Italië gevestigd. Zijn partner genoot in die periode
geen inkomsten uit of in verband met arbeid. Dit laatste is door
appellant aan gedaagde medegedeeld op een inlichtingenformulier van 12 oktober 1994.
Op 6 januari 1995 is appellants partner werkzaamheden gaan verrichten
bij de X-stichting in Bergen (N-H). Op een op 30 januari 1995
ondertekend en aan gedaagde toegezonden formulier heeft zij aangegeven
daarmee f 877,18 per maand te verdienen.
Bij besluit van 6 februari 1995 heeft gedaagde appellant met ingang van
6 januari 1995 een toeslag ingevolge de TW toegekend ten bedrage van f 19,59 per dag.
Op een inlichtingenformulier van 19 september 1995 heeft appellant
gedaagde medegedeeld dat zijn partner van 15 februari 1995 tot 7 maart
1995 een uitkering ingevolge de WW ontving. Op een formulier van
dezelfde datum meldde hij voorts dat zij geen inkomsten meer genoot. Op
laatstgenoemd formulier vroeg appellant alsnog een toeslag aan per 25
september 1994. Gedaagde heeft naar aanleiding daarvan het door
appellant op 12 oktober 1994 ingezonden formulier alsnog als een
aanvraag aangemerkt.
Inmiddels was gedaagde gebleken dat appellants partner bij de
X-stichting als oproepkracht met wisselende verdiensten werkzaam is
geweest. Daardoor is bij de berekening van appellants toeslag van
onjuiste inkomensbedragen uitgegaan.
Bij brief van 26 september 1995 heeft gedaagde appellant het volgende
medegedeeld.
"U heeft sedert 6 januari 1995 een te hoog bedrag aan toeslag
ingevolge de Toeslagenwet ontvangen. Dit vorderen wij van u terug.
Over de periode 25 september 1994 tot en met 5 januari 1995 heeft u
echter nog recht op een toeslag. De toeslag over deze periode zal worden
verrekend met de terugvordering. Er blijft echter een terug te betalen
bedrag over dat ligt tussen de f 2000,-- en f 3000,--.
Wij kunnen het precieze bedrag pas berekenen als wij over de
loongegevens van september 1995 beschikken (volgnr. 9; periode 10). Wilt
u deze te zijner tijd zo snel mogelijk naar ons toezenden?
Nadat wij de gegevens hebben verwerkt zullen wij u een aantal nieuwe
beslissingen in het kader van de Toeslagenwet zenden en daarna een
terugvorderingsbeslissing.
Per 1 oktober 1995 betalen wij u geen toeslag meer. De netto AAW/WAO
uitkering bedraagt f 864,15 per maand."
Bij besluit van 17 november 1995 (hier verder: besluit 1) heeft gedaagde
appellant met ingang van 25 september 1994 een toeslag toegekend ten
bedrage van f 6,55 per dag.
Bij een tweede besluit van 17 november 1995 heeft gedaagde appellant
medegedeeld welke de hoogte is van zijn toeslag van 6 januari 1995 tot 1
oktober 1995, rekening houdend met de wisselende inkomsten van zijn
partner.
Bij brief van 30 november 1995 heeft gedaagde appellant het volgende
medegedeeld.
"U heeft over de periode van 6 januari 1995 tot 1 oktober 1995 een
uitkering ingevolge de Toeslagenwet ontvangen.
Ons is gebleken dat de uitbetaling van uw uitkering ten onrechte of naar
een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden. De onverschuldigd betaalde
uitkering bedraagt f 3014,04 bruto (inclusief oht).
Wij vorderen hetgeen onverschuldigd aan u betaald werd terug.
De bedrijfsvereniging heeft de mogelijkheid om de teveel betaalde
uitkering te verrekenen met de nog aan u te betalen uitkering ad f
864,15 netto per maand. Hiervoor is het noodzakelijk dat wij beschikken
over de inkomensgegevens van u (en uw eventuele partner).
In verband hiermede verzoeken wij u bijgaand formulier in te vullen en
binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief aan ons te
retourneren.
Wanneer u iets niet duidelijk is en/of moeite heeft met de invulling van
dit formulier, kunt u contact met ons opnemen.
Tevens verzoeken wij u een redelijk terugbetalingsvoorstel te doen.
Na ontvangst van uw gegevens zullen wij een en ander beoordelen en
indien noodzakelijk zal een buitendienstmedewerker u bezoeken.
Zodra het bestuur van de bedrijfsvereniging een beslissing heeft
genomen, wordt u nader geďnformeerd. U ontvangt dan een beslissing
waartegen beroep mogelijk is.
U heeft nog recht op een nabetaling ingevolge de Toeslagenwet over de
periode 25 september 1994 tot 6 januari 1995. Deze nabetaling zullen wij aanwenden ter verrekening van
de onverschuldigde betaling over de periode 6 januari 1995 tot 1 oktober
1995."
Appellant ging in beroep bij de rechtbank te Alkmaar tegen - zoals hij
het zelf omschreef - de beslissingen betreffende de uitvoering van de
Toeslagenwet vanaf 25 september 1994. Hij gaf daarbij aan bezwaar te
hebben tegen de hoogte van de toeslag van f 6,55 per dag en tegen de
hoogte van de terugvordering. Appellant legde hierbij besluit 1 en de
brief van 30 november 1995 over.
Hangende het geding in eerste aanleg heeft gedaagde bij besluit van 7
februari 1996 van appellant de over de periode van 6 januari 1995 tot 1
oktober 1995 onverschuldigd betaalde toeslag primair ten bedrage van f 3.014,04 op de zogeheten a-grond van artikel 20 van de TW
teruggevorderd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat de toeslag
per 25 september 1994 volgens de wettelijke bepalingen is vastgesteld
en niet onjuist kan worden geacht.
Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank het volgende
overwogen.
"Eiser heeft naar aanleiding van verweerders brief van 30 november
1995 in het beroepschrift medegedeeld akkoord te gaan met het
terugbetalen van de toeslag die hij teveel heeft gekregen doch acht een
specificatie daarvan noodzakelijk. Die specificatie heeft verweerder
verschaft bij het besluit van 7 februari 1996. Tegen dit besluit heeft
eiser beroep ingesteld en evenmin is ter zitting van 2 juli 1996
gebleken dat eiser (nog) bezwaren heeft tegen de hoogte van de
terugvordering, anders dan dat de toeslag (over de periode 25 september
1994 tot 6 januari 1995) onjuist is vastgesteld.
De rechtbank concludeert dan ook dat verweerders besluit van 7 februari
1996 in rechte onaantastbaar is geworden."
De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.
De Raad overweegt het volgende.
Uit de tekst van appellants beroepschrift en het daarbij aan de
rechtbank toezenden van besluit 1 en de brief van 30 november 1995 valt
af te leiden dat appellant beoogde tegen elk van die beslissingen beroep
in te stellen. Dit vindt bevestiging in hetgeen appellant de Raad
desgevraagd, met name ter zitting, heeft medegedeeld.
Gedaagde heeft bestreden dat appellants beroep gericht kon zijn tegen de
brief van 30 november 1995, nu deze naar het oordeel van gedaagde geen
besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), zodat daartegen geen beroep open stond.
De Raad kan gedaagde daarin niet volgen.
Bedoelde brief is afgegeven op briefpapier van gedaagde en bevat een
concrete, afgeronde schriftelijke beslissing omtrent de terugvordering
van een met name genoemd bedrag, welke beslissing zonder enig voorbehoud
is geformuleerd en als zodanig dan ook op rechtsgevolg gericht is.
Dat de beslissing, zoals de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft verklaard, onbevoegd is genomen, nu deze
niet aan het bestuur van gedaagdes rechtsvoorganger was voorgelegd, kan
er niet aan afdoen dat deze als besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb moet worden aangemerkt.
Dat deze beslissing voorts niet als besluit maar slechts als aanzegging
van de terugvordering was bedoeld, zoals namens gedaagde is gesteld, kan
in het vorenstaande evenmin wijziging brengen, nu de brief als besluit
is geformuleerd en dan ook als zodanig dient te worden aangemerkt.
Zijdens gedaagde is voorts nog aangevoerd dat de brief van 30 november
1995 het voorbehoud bevat dat appellant nader wordt geďnformeerd zodra
gedaagde een beslissing heeft genomen. Naar het oordeel van de Raad is
evenwel niet zonder meer in die brief te lezen dat het nader te nemen
besluit betrekking zal hebben op de terugvordering. Uit de context valt
veeleer af te leiden dat dat nadere besluit de wijze van effectuering
van de terugvordering zal betreffen.
Gezien het vorenstaande was appellants beroep naar het oordeel van de
Raad niet alleen tegen besluit 1 maar ook tegen het besluit van 30
november 1995 (hier verder: besluit 2) gericht.
Voorzover de rechtbank heeft overwogen dat dit laatste niet het geval
is, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.
Aangezien het beroep tevens was gericht tegen besluit 2, moet dat beroep
geacht worden mede gericht te zijn tegen het besluit van 7 februari 1996
(hier verder: besluit 3), dat wijziging brengt in besluit 2 en niet
geheel aan het beroep tegemoet komt.
De Raad ziet geen aanleiding het geding terug te wijzen naar de
rechtbank, nu voldoende gegevens voor handen zijn om tot een eindoordeel
te komen.
Ten aanzien van besluit 1 overweegt de Raad het volgende.
Evenmin als de rechtbank heeft de Raad een aanknopingspunt kunnen vinden
voor het oordeel dat bij dit besluit appellants aanspraken niet juist
zijn vastgesteld. Zoals gedaagde in dat besluit uiteen heeft gezet, is
de toeslag overeenkomstig de bepalingen van de TW tot stand gekomen.
Naar de Raad uit de stellingen van appellant afleidt, meent appellant
aanspraak te kunnen maken op een aanvulling van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tot de hoogte van het wettelijk
minimumloon. Zulks is evenwel niet het geval. Dat appellants uitkeringen
tezamen niet tot het niveau van het wettelijk minimumloon reiken, komt
onder andere voort uit het feit dat appellant voorafgaand aan het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gedurende niet meer dan 20 uren
per week werkzaam was.
De rechtbank heeft terecht het beroep tegen besluit 1 ongegrond
verklaard. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in
aanmerking.
Met betrekking tot besluit 2 stelt de Raad vast dat dit besluit, zoals
de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad heeft gesteld, niet
bevoegd is genomen. Op die grond dient dit besluit te worden vernietigd.
Ten aanzien van besluit 3 overweegt de Raad het volgende.
Op grond van het tweede besluit van 17 november 1995, waarvan de
juistheid niet door appellant is betwist en dat inmiddels rechtens
onaantastbaar is geworden, staat vast dat aan appellant onverschuldigd
toeslag is betaald.
Deze onjuiste betaling is geschied doordat gedaagde niet tijdig op de
hoogte was van het wisselende karakter van de inkomsten van appellants
partner noch van haar WW-uitkering. Appellant heeft niet onmiddellijk
van deze gegevens aan gedaagde mededeling gedaan. Dat hij daarvan wel
melding heeft gemaakt op de aan hem toegezonden inlichtingenformulieren,
doet daaraan niet af.
De Raad stelt dan ook vast dat door appellants toedoen onverschuldigd
uitkering is betaald.
Nu voorts de termijn waarover de terugvordering zich uitstrekt niet meer
bedraagt dan vijf jaren, is aan de vereisten van de a-grond van artikel
20 van de TW voldaan. Gedaagde was derhalve bevoegd tot terugvordering
over te gaan.
De Raad ziet voorts geen gronden om aan te nemen dat gedaagde door van
appellant een bedrag groot f 3.014,04 terug te vorderen, een besluit
heeft genomen waartoe hij niet in redelijkheid heeft kunnen komen dan
wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of
ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
Het beroep tegen besluit 3 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is overwogen dat
het beroep niet is gericht tegen besluit 2;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 alsnog gegrond en vernietigt dat
besluit;
Verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. B.
Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B. Fijnheer.
|
|