|
Uitspraak
00/2734
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft appellant met terugwerkende kracht
over de periode van 1 april 1993 tot 1 december 1997 aan gedaagde het
recht op toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontzegd, op de grond dat
gedaagde niet de op haar rustende wettelijke verplichting is nagekomen
tot het doorgeven van alle feiten en omstandigheden waarvan
redelijkerwijs duidelijk is dat ze van invloed kunnen zijn op de
uitkering. Voorts heeft appellant de als gevolg daarvan onverschuldigd
aan gedaagde betaalde toeslag, ten bedrage van f 16.341,55 bruto, van
haar teruggevorderd.
Namens gedaagde is tegen evenvermeld besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 26 februari 1999 heeft appellant het bezwaar ten dele
gegrond verklaard, aldus dat alsnog is afgezien van terugvordering over
het tijdvak van 1 april 1993 tot 1 augustus 1996. Voor het overige is
het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft het
terugvorderingsbedrag over het resterende tijdvak van 1 augustus 1996
tot 1 december 1997 vastgesteld op f 4.676,41 bruto. De door gedaagde
aangevoerde argumenten vormen naar het oordeel van appellant geen
dringende reden om af te zien van de terugvordering.
Namens gedaagde is beroep ingesteld tegen het besluit van 26 februari
1999 (hierna: het bestreden besluit).
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 5 april 2000 het beroep
tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is
verklaard, gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre
vernietigd, met de opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen
met inachtneming van de uitspraak en met aanvullende beslissingen inzake
vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak.
Bij brief van 18 juli 2000 heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden,
zich als opvolgend gemachtigde van gedaagde gesteld.
Namens gedaagde heeft mr. H. Koelewijn, voornoemd, bij schrijven van 9
oktober 2000, met bijlagen, van verweer gediend.
Mr. Koelewijn heeft bij brief van 22 januari 2001 gereageerd op de
mededeling van appellant dat bepaalde ontbrekende stukken niet meer in
het bezit van appellant zijn, in verband waarmee aan het verzoek van de
Raad om deze op te sturen door appellant niet kon worden voldaan, en bij
brief van 30 januari 2001 nadere stukken ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 9 juli 2002, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als het Lisv
en gedaagde als [gedaagde], ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Per 4 juni 1990 heeft Lisv [gedaagde] in het bezit gesteld van een
uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW); [gedaagde] heeft deze
uitkering feitelijk ontvangen tot 1 december 1997;
Vanaf april 1993 ontvangt [gedaagde] een uitkering op grond van de
Algemene nabestaandenwet, en ook een nabestaandenpensioen van het ABP.
Op 12 februari 1994 heeft [gedaagde] bij Lisv aangifte gedaan van het
feit dat zij naast haar WAO-uitkering een uitkering ontving van het ABP
te Heerlen;
Op 9 september 1997 heeft Lisv bij [gedaagde] een controleonderzoek
ingesteld.
Bij besluit van 6 augustus 1998 heeft Lisv een bedrag van in totaal fl.
17.085,30 van [gedaagde] teruggevorderd wegens onverschuldigd aan haar
betaalde uitkering ingevolge de TW gedurende de periode 1 april 1993 tot
1 december 1997.
Hiertegen heeft [gedaagde] op 18 augustus 1998 een bezwaarschrift
ingediend.
Bij besluit van 26 februari 1999 heeft Lisv het bezwaar van [gedaagde]
gegrond verklaard, voor zover het betrekking had op de onverschuldigd
betaalde uitkering ingevolge de TW in de periode tussen 1 april 1993 en
1 augustus 1996. Lisv heeft het bezwaar voor het overige ongegrond
verklaard."
De rechtbank heeft de van de zijde van gedaagde aangevoerde grieven dat
appellant voorafgaande aan het terugvorderingsbesluit niet een zogenoemd
moederbesluit heeft genomen en dat appellant ten onrechte niet de
zogeheten zesmaandenjurisprudentie heeft toegepast als ongegrond van de
hand gewezen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de namens
gedaagde aangevoerde omstandigheden die aanleiding zouden moeten vormen
voor appellant om een dringende reden aan te nemen om van terugvordering
af te zien niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft
het bestreden besluit vernietigd omdat appellant naar het oordeel van de
rechtbank in bezwaar noch in beroep is ingegaan op de herhaalde stelling
van gedaagde inzake het door haar geleden fiscale nadeel. In het
bestreden besluit wordt deze stelling wel aangehaald, zo oordeelt de
rechtbank, maar niet weersproken. De stelling komt de rechtbank niet
aanstonds onaannemelijk voor, maar het geven van een definitief oordeel
of hierin een dringende reden is gelegen achtte de rechtbank op grond
van de haar ter beschikking staande gegevens niet mogelijk. De rechtbank
komt tot de slotsom dat het bestreden besluit op dit punt aan een
motiveringsgebrek lijdt, en om die reden dient te worden vernietigd.
Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats aangevoerd dat de
rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de stelling van gedaagde
inzake het gestelde fiscale nadeel niet weersproken is. In de beslissing
op bezwaar is, aldus appellant, immers aan gedaagde meegedeeld dat deze
stelling geen dringende reden vormt om van het terugvorderingsbeleid,
zoals appellant dat sinds 1 augustus 1996 dient te hanteren, af te
wijken. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat het gestelde
fiscale nadeel - het verschil tussen een belastingtarief van 35% ten
tijde van het ontvangen van de toeslag en een tarief van 17% ten tijde
van het terugbetalen daarvan - uitsluitend is toe te schrijven aan de
werking van wetgeving die los staat van de toepasselijke
terugvorderingsbepalingen van de TW en die mede beïnvloed wordt door
gedaagdes persoonlijke omstandigheden. Om die reden, zo begrijpt de Raad
deze stelling, is naar de zienswijze van appellant terecht geen
dringende reden in voormelde zin aangenomen.
Namens gedaagde zijn in verweer alle grieven zoals deze aanvankelijk
waren aangevoerd en die door de rechtbank zijn verworpen, derhalve de
grieven inzake de afwezigheid van een zogeheten moederbesluit, inzake de
zesmaandenjurisprudentie alsmede inzake de verschillende aspecten
dienende ter onderbouwing van het beroep op een dringende reden,
herhaald. Daarnaast heeft gedaagde aangegeven zich te kunnen verenigen
met het door de rechtbank vastgestelde motiveringsgebrek.
De Raad overweegt in de eerste plaats dat, nu van de zijde van gedaagde
geen hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, de
Raad niet toekomt aan een bespreking van de bij verweerschrift herhaalde
grieven met betrekking tot het gestelde ontbreken van een moederbesluit
waarin expliciet is beslist omtrent het niet bestaan van een recht op
toeslag en met betrekking tot de betekenis die, ook in het kader van de
nieuwe terugvorderingsbepalingen zoals deze sedert 1 augustus 1996
luiden, toekomt aan de zesmaandenjurisprudentie. De Raad merkt op dat
het daarbij gaat om zelfstandige, van de in hoger beroep door appellant
aan de orde gestelde kwestie inzake de dringende reden te onderscheiden,
onderwerpen welke, anders dan namens gedaagde is gesteld, niet een
zodanige verwevenheid hebben met het onderwerp dringende reden dat ze,
ondanks het ontbreken van een zelfstandig appel door gedaagde, geacht
kunnen worden deel uit te maken van de omvang van het geding in hoger
beroep. Anders ligt zulks ten aanzien van de ook bij verweerschrift
herhaalde - en eveneens door de rechtbank niet gehonoreerde - grieven
van gedaagde, strekkende tot het moeten aannemen door appellant van een
dringende reden, welke grieven immers rechtsreeks verband houden met de
door appellant in hoger beroep aan de orde gestelde kwestie.
De Raad overweegt voorts dat, in zoverre het oordeel van de rechtbank
dat appellant de grief van gedaagde - inhoudende dat het gestelde
fiscale nadeel een dringende reden behoort op te leveren - in het
bestreden besluit weliswaar wel heeft vermeld maar niet heeft
weersproken, aldus dient te worden opgevat dat appellant dienaangaande
in het bestreden besluit geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen,
bedoeld oordeel van de rechtbank feitelijk onjuist is. Appellant heeft,
naar door appellant ook in het beroepschrift naar voren is gebracht, in
het bestreden besluit immers expliciet aangegeven dat geen van de door
gedaagde aangevoerde redenen - daarbij derhalve inbegrepen het gestelde
fiscale nadeel - aanleiding vormt om een dringende reden aan te nemen in
de zin van de toepasselijke terugvorderingsbepaling.
In zoverre het oordeel van de rechtbank in die zin moet worden begrepen
dat de rechtbank, op zich niet miskennende dat appellant de betreffende
stelling van gedaagde bij het bestreden besluit ten materiële heeft
afgewezen, tot uitdrukking heeft willen brengen dat die enkele
afwijzing, zonder vermelding van enige motivering daarvoor in het
bestreden besluit, strijd oplevert met het vereiste dat een besluit
kenbaar en inzichtelijk dient te zijn gemotiveerd en derhalve in strijd
is met artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt
de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb dient de rechtbank
uitspraak te doen op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde
stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter
zitting. Aan de Raad is niet kunnen blijken dat van de zijde van
gedaagde op enig moment een beroep is gedaan op schending van artikel
3:47 van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank, door het beroep gegrond
te verklaren wegens schending van deze bepaling, getreden is buiten de
grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en, dusdoende de betekenis
van het vorenaangehaald artikel 8:69, eerste lid, van de Awb heeft
miskend. Naar de Raad in vergelijkbare gevallen vaker van zijn oordeel
heeft doen blijken zou voor een dergelijke ambtshalve te verrichten
toetsing alleen dan plaats zijn geweest, indien het wettelijk
voorschrift in kwestie zou kunnen worden aangemerkt als zijnde van
openbare orde. Artikel 3:47 van de Awb bevat evenwel niet een zodanig
voorschrift van openbare orde.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep van appellant doel
treft. De Raad is met appellant van oordeel dat de door de rechtbank
gebezigde grond om het bestreden besluit te vernietigen onjuist is.
Met betrekking tot de houdbaarheid van het bestreden besluit ten materiële
overweegt de Raad voorts het volgende.
Naar de Raad eerder heeft geoordeeld, kunnen blijkens de
wetsgeschiedenis dringende redenen om van terugvordering af te zien
slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van die
terugvordering voor de betreffende verzekerde. Uit de wetsgeschiedenis
komt naar voren dat het daarbij gaat om een beoordeling van de zich in
een bepaald individueel geval voordoende relevant te achten
omstandigheden. Van algemene of categoriale afwijkingen van de
gehoudenheid tot terugvordering kan geen sprake zijn.
De Raad is van oordeel dat zich in het geval van gedaagde geen zodanige
bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat appellant
gehouden zou moeten worden geacht op grond van een dringende reden
geheel of gedeeltelijk af te zien van de in het bestreden besluit
neergelegde terugvordering. De Raad stelt vast dat gedaagde, juist als
gevolg van de door haar ter onderbouwing van haar beroep op een
dringende reden benadrukte trage afhandeling door appellant van haar
melding uit 1994 betreffende het naast haar uitkeringen ingevolge de
WAO, de WW en de TW ontvangen van een Anw-uitkering en ABP-pensioen, van
de aan haar in totaal onverschuldigd betaalde toeslag, ten bedrage van f
16.341,55, uiteindelijk nog slechts een bedrag van f 4.676,41,
betrekking hebbende op het tijdvak van 1 augustus 1996 tot 1 december
1997, aan appellant behoeft terug te betalen. Hetgeen voorafgaande aan 1
augustus 1996 was betaald, het verschil tussen beide genoemde bedragen,
bleek immers in verband met het ten tijde van de eerste
terugvorderingshandeling reeds verstreken zijn van de vijf- en
tweejaarstermijn, als bedoeld in de tot die datum gegolden hebbende
terugvorderingsbepaling, niet meer terugvorderbaar. Mede tegen de
achtergrond hiervan vermag de Raad niet in te zien dat de van de zijde
van gedaagde naar voren gebrachte omstandigheden - ook niet indien deze
tezamen in ogenschouw worden genomen - tot het oordeel zouden moeten
leiden dat terugvordering van laatstgenoemd bedrag voor gedaagde
onaanvaardbaar is. Ook overigens is aan de Raad van dergelijke
omstandigheden niet gebleken.
De Raad komt op grond van het hiervoor overwogene tot de slotsom dat het
bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak,
waarbij dat besluit ten dele is vernietigd, komt derhalve voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. H.J. Simon en
mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van S. van
der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) S. van der Zee.
|
|