|
Uitspraak
01/5681
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 maart 2000 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
1 november 1997 een uitkering krachtens de Toeslagenwet (TW) toegekend
ter hoogte van € 8,60 (voorheen f 18,95) per dag.
Bij besluit van 11 juli 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 maart 2000
ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 20 september 2001 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. A.P. Flinterman, advocaat te Woerden, bij
beroepschrift (met bijlagen) van 29 oktober 2001 tegen die uitspraak
hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 21 december 2001,
ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 1 november 2002, waar partijen - wat gedaagde betreft
met bericht vooraf - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De feiten, welke in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld,
worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden
besluit, waarbij gedaagde het bezwaar van appellant tegen zijn besluit
van 8 maart 2000 heeft ongegrond verklaard, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag met de rechtbank bevestigend en hij
overweegt daartoe het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bij het bestreden besluit
gehandhaafde toekenning van toeslag ingevolge de TW slechts betrekking
heeft op de periode van 1 november 1997 tot en met 31 december 1997.
Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat hij, gelet op het
feit dat hij in oktober 1997 failliet is verklaard, in dat jaar een
negatief inkomen heeft genoten, zodat hij voor een hogere uitkering
ingevolge de TW in aanmerking dient te komen.
Gedaagde heeft zich in verweer op het standpunt gesteld dat hetgeen
namens appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding vormt de
aangevallen uitspraak dan wel het bestreden besluit voor onjuist te
houden.
Gedaagde heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit op het
standpunt gesteld dat, onder meer gelet op artikel 6, eerste lid, aanhef
en onder a, van de TW, aan appellant in het desbetreffende jaar een
inkomen moet worden toegerekend van € 711,07 (voorheen f 1.567,-).
Laatstgenoemd bedrag is het positief resultaat over het jaar 1997 van de
per 22 september 1997 opgerichte Stichting [naam stichting], van welke
stichting de echtgenote van appellant blijkens uittreksel uit het
handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Utrecht en
Omstreken, gedateerd 17 december 1997, enig bestuurder is.
De Raad is, gelet op de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften,
alsmede de voorhanden zijnde gegevens, van oordeel dat gedaagde terecht
en op juiste gronden het positieve resultaat van de Stichting [naam
stichting] van € 711,07 bij de definitieve berekening van het aan
appellant met ingang van 1 november 1997 toe te kennen bedrag aan
toeslag per dag heeft meegenomen. Voorts is de Raad van oordeel dat het
betoog van appellant, dat hij in 1997 een negatief inkomen heeft
genoten, in het kader van de toepassing van de TW geen doel kan treffen.
In het kader van de toepassing van laatstgenoemde wet dient een door de
fiscus aanvaard negatief inkomen te worden aangemerkt als een nihil
inkomen en komt het in dat jaar door appellants echtgenote verworven
inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven
niet in aanmerking om te worden verrekend met het door de fiscus
aanvaarde negatieve inkomen van appellant.
Het hoger beroep van appellant kan, gelet op het bovenstaande, niet
slagen, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2002.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
|
|