|
Uitspraak
02/1308 TW, 02/1309 TW, 02/1818 TW, 02/1300 TW, 02/1289 TW, 02/1371 TW,
02/1369 TW, 01/5837 TW, 02/4745 TW en
01/5572 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde 1] (gedaagde 1);
[gedaagde 2] (gedaagde 2);
[gedaagde 3] (gedaagde 3);
[gedaagde 4] (gedaagde 4);
[gedaagde 5] (gedaagde 5);
[gedaagde 6] (gedaagde 6);
[gedaagde 7] (gedaagde 7);
[gedaagde 8] (gedaagde 8);
[gedaagde 9] (gedaagde 9);
[gedaagde 10] (gedaagde 10);
allen te Turkije.
I. FEITEN EN PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Gedaagden ontvingen ten tijde hier van belang allen een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Tot 1
januari 2000 ontving ieder van hen tevens een toeslag op grond van de
Toeslagenwet (TW) welke was berekend met toepassing van artikel 8 van de
TW.
De gedaagden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9 en 10 hebben zich voor 1 januari
2000 in Turkije gevestigd. Bij besluiten van 28 november 2000 heeft
appellant aan deze gedaagden medegedeeld dat de aan hen toegekende
toeslag vanaf 1 januari 2000 wordt afgebouwd in een periode van drie
jaar. Over het jaar 2000 wordt nog de volledige toeslag uitbetaald
waarop gedaagden recht zouden hebben indien zij in Nederland woonden,
over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over het jaar 2002 een
derde van deze toeslag, en met ingang van 1 januari 2003 wordt de
toeslag geheel beëindigd.
Gedaagde 8 heeft bij brief van 19 januari 2000 te kennen gegeven van 15
februari 2000 tot en met 14 november 2000 naar Turkije op vakantie te
willen gaan. Appellant, die ervan uitgaat dat gedaagde 8 in Nederland
woont, heeft bij besluit van 24 januari 2000 ingestemd met deze vakantie
en aan gedaagde 8 te kennen gegeven dat de toeslag met ingang van 15 mei
2000 zal worden beëindigd omdat hij dan drie maanden buiten Nederland
zal verblijven.
Appellant heeft de door of namens gedaagden tegen deze besluiten
aangetekende bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen van gedaagden tegen deze
besluiten bij uitspraken van respectievelijk 18 september 2001 (gedaagde
10), 7 januari 2002 (gedaagden 5 en 6), 17 januari 2002 (gedaagde 7), 12
februari 2002 (gedaagden 1, 2, 3 en 4) en 22 augustus 2002 (gedaagde 9)
gegrond verklaard. De rechtbank Alkmaar heeft het beroep van gedaagde 8
bij uitspraak van 3 oktober 2001 gegrond verklaard.
Appellant heeft tegen deze uitspraken op daarbij aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Raad heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid nadere informatie verstrekt.
Namens gedaagden 1, 2, 3, 4 en 8 is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 24 januari
2003, waar namens appellant is verschenen mr. I. F. Pardaan, werkzaam
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl namens de
gedaagden 1, 2, 3, 4 en 8 is verschenen mr. D. Schaap, advocaat te
Rotterdam, namens gedaagde 5 mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat
te Amsterdam, en namens de gedaagden 6, 7 en 10 mr. D. van den Berg,
advocaat te Enschede, en waar gedaagde 9 niet is verschenen.
II. MOTIVERING
1. Het nationale stelsel
Op 1 januari 2000 is de Wet beperking export uitkeringen (verder: de Wet
BEU) in werking getreden. Bij deze wet is aan de TW een nieuw artikel 4a
toegevoegd. Op grond van het eerste lid van dit artikel heeft degene die
niet in Nederland woont, geen recht op toeslag. Ingevolge het derde lid
wordt met niet wonen in Nederland gelijkgesteld het langer dan drie
maanden onafgebroken niet in Nederland verblijven. In artikel XI van de
Wet BEU is overgangsrecht opgenomen met betrekking tot het recht op
toeslag van personen die op de dag voor de inwerkingtreding van de Wet
BEU recht hadden op een toeslag en op die dag niet in Nederland woonden.
Aan deze personen wordt gedurende het eerste jaar na inwerkingtreding
van de Wet BEU het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien
betrokkene in Nederland zou wonen. Gedurende het tweede jaar worden twee
derden van dit bedrag uitbetaald, en gedurende het derde jaar een derde
van dit bedrag. Tussen partijen is niet in geschil dat de bestreden
besluiten in overeenstemming zijn met deze bepalingen.
2. Het Verdrag tussen Nederland en Turkije
2.1. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van gedaagde 10 in haar
uitspraak van 18 september 2001 gegrond verklaard onder de overweging
dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 5 van het Verdrag
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (Trb.
1966, 155, verder: het NTV). De rechtbank Alkmaar heeft om dezelfde
reden het beroep van gedaagde 8 bij uitspraak van 3 oktober 2001 gegrond
verklaard.
2.2. Appellant heeft tegen deze uitspraken aangevoerd dat de bestreden
besluiten niet kunnen worden getoetst aan artikel 5 van het NTV
aangezien het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1976, 158,
hierna: EVSZ) in de plaats is getreden van het NTV en Nederland en
Turkije hebben bepaald dat slechts Titel III van het NTV tussen hen van
toepassing blijft.
2.3. De Raad onderschrijft deze opvatting van appellant. Op grond van
artikel 5, eerste lid, van het EVSZ treedt het EVSZ wat betreft personen
op wie het van toepassing is, in de plaats van elk verdrag inzake
sociale zekerheid dat verbindend is tussen twee of meer verdragsluitende
partijen bij het EVSZ. Ingevolge artikel 6, derde lid, van het EVSZ
kunnen twee of meer verdragsluitende partijen in onderling overleg
bepalingen van bestaande verdragen tussen hen van toepassing doen
blijven. Deze bepalingen moeten dan worden vermeld in Bijlage III bij
het EVSZ. De Raad stelt vast dat blijkens Bijlage III bij het EVSZ in de
relatie tussen Nederland en Turkije slechts Titel III van het NTV van
toepassing blijft. Nu artikel 5 van het NTV is opgenomen in Titel I van
dit verdrag, hebben de rechtbanken de bestreden besluiten ten aanzien
van gedaagden 8 en 10 ten onrechte aan deze bepaling getoetst.
2.4. Het vorenstaande brengt echter niet zonder meer met zich mee dat
het hoger beroep tegen de desbetreffende uitspraken slaagt, nu beide
partijen aan de Raad de vraag hebben voorgelegd of de bestreden
besluiten niet anderszins in strijd komen met (rechtstreeks werkende)
bepalingen van internationaal of communautair recht.
3. Het EVSZ
3.1. De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen van de gedaagden 1, 2, 3,
4, 5, 6, 7, en 9 gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd,
overwegende dat de afbouw van de toeslag in strijd is met artikel 11,
eerste lid, van het EVSZ, welk artikellid voorziet in een verbod tot
vermindering, wijziging of schorsing van een op grond van de wettelijke
regeling van een verdragsluitende partij toegekende uitkering bij
invaliditeit op grond van het feit dat de rechthebbende op het
grondgebied van een andere verdragsluitende partij woont dan op het
grondgebied van het orgaan dat de bedoelde uitkering verschuldigd is.
3.2. Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat de toeslag ingevolge de TW
een uitkering is van niet-contributieve aard, welke op grond van artikel
11, derde lid, van het EVSZ van export uitgesloten kan worden indien de
betreffende wet is vermeld op Bijlage VI bij het EVSZ. Daarbij heeft
appellant erop gewezen dat het bij de totstandkoming van de Wet BEU de
bedoeling van de Minister van SZW is geweest de TW per 1 januari 2000 op
te laten nemen op Bijlage VI bij het EVSZ, maar dat zulks per abuis niet
is geschied. Inmiddels is de TW op 26 februari 2002 met een
terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2000 op Bijlage VI bij het
EVSZ geplaatst. Publicatie van deze wijziging heeft plaatsgevonden in
het Tractatenblad van 18 oktober 2002 en is van kracht geworden met
ingang van 1 december 2002. Opname van de TW op Bijlage VI met
terugwerkende kracht doet naar het oordeel van appellant niet af aan de
rechtspositie van de gerechtigden nu zij allen van meet af aan van de
afbouw op de hoogte zijn gesteld.
3.3. Namens gedaagden is aangevoerd dat de toeslag op grond van de
Toeslagenwet niet kan worden aangemerkt als een niet-contributieve
uitkering als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het EVSZ. De toeslag
op grond van de TW wordt uitsluitend toegekend in aanvulling op een
uitkering die is gebaseerd op tijdvakken van premiebetaling en arbeid.
Premiebetaling dan wel arbeid is dan ook een noodzakelijke, zij het
indirecte, voorwaarde voor het ontstaan van een recht op toeslag. De
vermelding van de TW op Bijlage VI bij het EVSZ is naar het oordeel van
gedaagden dan ook in strijd met artikel 11, derde lid, van het EVSZ en
derhalve onverbindend. Gedaagden achten voorts de terugwerkende kracht
van de verdragswijziging en het ontbreken van een overgangsregeling
hierbij in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
3.4. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank Amsterdam op goede
gronden geoordeeld dat de TW onder de materiële werkingssfeer van het
EVSZ valt, en de bestreden besluiten met betrekking tot de gedaagden 1,
2, 3, 4, 5, 6, 7 en 9 naar de stand van het recht ten tijde van de
aangevallen uitspraken terecht in strijd geacht met artikel 11, eerste
lid, van het EVSZ. De Raad dient in de onderhavige gedingen echter mede
acht te slaan op de nadien plaatsgevonden hebbende plaatsing van de TW
op Bijlage VI bij het EVSZ met een terugwerkende kracht tot en met 1
januari 2000.
3.5. Met betrekking tot de stelling van gedaagden dat de toeslag niet
kan worden aangemerkt als een niet-contributieve prestatie in de zin van
artikel 11, derde lid, van het EVSZ overweegt de Raad als volgt. De
vermelding van de Toeslagenwet op Bijlage VI bij het EVSZ is
totstandgekomen met toepassing van de hiertoe in artikel 81 van het EVSZ
voorziene procedure, waarbij geen der verdragsluitende partijen binnen
de hiervoor gestelde termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende
vermelding. De verdragsluitende partijen zijn kennelijk unaniem van
oordeel dat deze vermelding niet in strijd is met artikel 11, derde lid,
van het EVSZ. Onder deze omstandigheden acht de Raad geen termen
aanwezig voor een ander oordeel.
3.6. Zoals de Raad reeds tot uitdrukking heeft gebracht in zijn
uitspraak van 29 december 1992, RSV 1993/258, tegen welke uitspraak de
Hoge Raad het beroep tot cassatie heeft verworpen bij arrest van 8
november 1995, RSV 1996/78, is hem voorts geen rechtsregel bekend die
zou meebrengen dat aan een verdragswijziging waarin terugwerkende kracht
is geregeld, verbindende kracht zou moeten worden ontzegd. Artikel 28
van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985, 79,
rectificatie Trb. 1996, 89) schrijft in dit verband slechts voor dat de
bedoeling daartoe hetzij uit het verdrag zelf, hetzij op andere wijze
moet blijken. Nu de terugwerkende kracht van de plaatsing van de TW op
Bijlage VI expliciet in deze Bijlage is vermeld, is aan deze voorwaarde
voldaan.
3.7. Met betrekking tot de stelling van gedaagden dat de terugwerkende
kracht van de wijziging en het ontbreken van overgangsrecht hierbij in
strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, is de Raad van oordeel dat
artikel 120 van de Grondwet, dat blijkens zijn constante jurisprudentie
een verbod inhoudt om bepalingen van formele wetgeving te toetsen aan
algemene rechtsbeginselen (zie ook HR 14 april 1989, AB 1989, 207,
Harmonisatiewetarrest), een zelfde verbod bevat met betrekking tot de
toetsing van bepalingen van verdragen. Nu de wetgever voorts steeds
heeft beoogd de export van toeslagen die op 31 december 1999 werden
betaald aan rechthebbenden die woonden in landen buiten de Europese
Economische Ruimte in drie jaar geleidelijk af te bouwen, en de
kennelijke strekking van de verdragswijziging met terugwerkende kracht
ook is geweest deze afbouw tegen de achtergrond van het EVSZ mogelijk te
maken, is er evenmin sprake van door de (verdrags)wetgever niet
voorziene omstandigheden op grond waarvan de Raad bevoegd zou moeten
worden geacht de betreffende bepaling in de onderhavige gevallen buiten
toepassing te laten.
3.8. Het vorenstaande leidt ertoe dat het EVSZ met ingang van 1 december
2002 niet langer de export van toeslagen op grond van de TW op en na 1
januari 2000 voorschrijft. De bestreden besluiten kunnen derhalve bij de
huidige stand van het recht niet langer in strijd worden geacht met
artikel 11, eerste lid, van het EVSZ.
4. ILO-conventie nr. 118 inzake gelijkheid van behandeling
4.1. Appellant heeft de vraag opgeworpen naar mogelijke strijd van de
bestreden besluiten met artikel 5 van het Verdrag nr. 118 betreffende de
gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het
gebied van de sociale zekerheid d.d. 28 juni 1962, Trb. 1962, 122
(verder: ILO-conventie 118). Nederland heeft deze conventie in 1964
geratificeerd en daarbij de verplichtingen ervan voor alle takken van
sociale zekerheid als genoemd in artikel 2, eerste lid, op zich genomen
(Trb. 1964, 128). Turkije heeft de conventie in 1977 geratificeerd voor
alle takken met uitzondering van gezinsbijslagen (Trb. 1977, 43).
4.2. Artikel 5, eerste en tweede lid, van de conventie luidt als volgt:
1. Benevens het in artikel 4 bepaalde, moet elk lid dat de
verplichtingen van dit Verdrag voor één of meer takken van sociale
zekerheid in dit lid bedoeld, heeft aanvaard, zowel aan zijn eigen
onderdanen als aan de onderdanen van ieder ander Lid dat de
verplichtingen van dit Verdrag voor een overeenkomstige tak van sociale
zekerheid heeft aanvaard, bij woonplaats in het buitenland bovendien de
betaling waarborgen van de invaliditeits- en ouderdomsuitkeringen, de
uitkeringen aan nagelaten betrekkingen en uitkeringen bij overlijden,
alsmede de betaling van renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten,
behoudens de te dien einde overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 vast
te stellen bepalingen.
2. Bij woonplaats in het buitenland kan de betaling van invaliditeits-
en ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen van de
aard als bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, afhankelijk worden
gesteld van de deelneming van de betrokken Leden aan het stelsel van
behoud van rechten als voorzien in artikel 7.
4.3. Appellant meent dat de bestreden besluiten niet met artikel 5 van
ILO-conventie 118 in strijd zijn nu deze conventie geen absolute
verplichting tot export van niet-contributieve uitkeringen naar Turkije
bevat. De export van niet-contributieve uitkeringen kan op grond van
artikel 5, tweede lid, immers afhankelijk worden gesteld van de deelname
van de betrokken landen aan het stelsel van behoud van rechten als
bedoeld in artikel 7 van de conventie. Meer in het algemeen is appellant
van oordeel dat de in artikel 5, eerste lid van de conventie neergelegde
verplichting tot export geen absoluut karakter draagt. Appellant erkent
dat de exportverplichting zoals neergelegd in artikel 5 van
ILO-conventie 118 een afzonderlijke verplichting is naast de
verplichting tot gelijke behandeling naar nationaliteit. De
exportverplichting heeft zich volgens appellant echter ontwikkeld uit de
verplichting tot gelijke behandeling in die zin dat de verdragsluitende
partijen de feitelijke ongelijke behandeling naar nationaliteit die het
gevolg zou zijn van toepassing van woonplaatseisen, hebben willen
voorkomen. Zoals een indirecte ongelijke behandeling naar nationaliteit
pas een verboden discriminatie naar nationaliteit oplevert als hiervoor
geen toereikende rechtvaardigingsgronden bestaan, zo kunnen volgens
appellant bij de toepassing van artikel 5 van ILO-conventie 118
rechtvaardigingsgronden worden aangevoerd voor wettelijke bepalingen die
de export van uitkeringen onder omstandigheden verhinderen of beperken.
De handhavingsdoelstellingen van de wet BEU en de wens van de regering
om de inkomensgarantie op het niveau van het Nederlands sociaal minimum
te beperken tot Nederlands grondgebied, leveren naar het oordeel van
appellant een dergelijke rechtvaardiging op.
4.4. Gedaagden zijn van oordeel dat de toeslag op grond van de TW niet
kan worden beschouwd als een niet-contributieve uitkering als bedoeld in
artikel 5, tweede lid van ILO-conventie 118. De toeslag op grond van de
TW wordt uitsluitend toegekend in aanvulling op een uitkering die is
gebaseerd op tijdvakken van premiebetaling dan wel arbeid.
Premiebetaling dan wel arbeid is dan ook een noodzakelijke, zij het
indirecte, voorwaarde voor het ontstaan van een recht op toeslag.
Gedaagden menen voorts dat er in de onderhavige gevallen geen
rechtvaardigingsgrond is voor het achterwege laten van export, aangezien
Nederland met Turkije een handhavingsprotocol heeft gesloten.
4.5. De Raad merkt in de eerste plaats op dat ILO-conventie 118 het
karakter draagt van een zij het enigszins rudimentair coördinatieverdrag
en dat het karakter van de conventie zich er derhalve in algemene zin
niet tegen verzet, één of meer bepalingen van deze conventie te
beschouwen als een ieder verbindende bepalingen in de zin van de
artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
4.6. De Raad is voorts van oordeel dat de toeslag op grond van de TW die
wordt toegekend in aanvulling op een uitkering op grond van de WAO, moet
worden beschouwd als een invaliditeitsuitkering in de zin van artikel 2,
eerste lid, onder d, van de conventie. Op grond van artikel 1, aanhef en
onder b, worden voor de toepassing van de conventie onder
"uitkeringen" immers verstaan alle uitkeringen, pensioenen en
renten, met inbegrip van alle eventuele toe- en bijslagen.
4.7. Waar de toekenning van een uitkering ingevolge de WAO afhankelijk
is van het verricht hebben van arbeid of een hiermee gelijkgestelde
situatie, kan de toeslag op de WAO-uitkering, waarop slechts aanspraak
kan ontstaan als ook aan de voorwaarden voor toekenning van de
WAO-uitkering is voldaan, naar het oordeel van de Raad niet worden
beschouwd als "een andere uitkering dan die waarvan de toekenning
afhankelijk is, hetzij van een directe geldelijke bijdrage van de
beschermde personen of van hun werkgever, hetzij van het gedurende een
zeker tijdvak verrichten van arbeid" in de zin van artikel 2, zesde
lid, onder a, van ILO-conventie 118. Eventuele onzekerheid dienaangaande
omdat de aanspraak op toeslag slechts indirect afhankelijk is van
premiebetaling en arbeid kan niet ten nadele van gedaagden worden
uitgelegd, nu de Staat der Nederlanden deze onzekerheid niet op de in
artikel 2, zesde lid, van de conventie voorziene wijze heeft weggenomen
of verminderd door de TW, na de inwerkingtreding van die wet per 1
januari 1987, bij de Secretaris-Generaal van de ILO aan te melden als
een niet-contributieve prestatie, en door dit na te laten ook toezicht
vanuit de ILO op dit punt heeft verhinderd.
4.8. Nu de toeslagen van gedaagden niet kunnen worden aangemerkt als
invaliditeitsuitkeringen in de zin van artikel 2, zesde lid, onder a,
van ILO-conventie 118, is artikel 5, tweede lid, van deze conventie in
de onderhavige gedingen niet van toepassing. De Raad ziet zich derhalve
gesteld voor de vraag of de afbouw van de toeslag in overeenstemming is
met artikel 5, eerste lid van de conventie. De Raad beantwoordt deze
vraag ontkennend.
4.9. Naar het oordeel van de Raad legt genoemde bepaling aan de
verdragsluitende partijen een nauwkeurige en onvoorwaardelijke
verplichting op om aan de eigen onderdanen en aan onderdanen van de
andere verdragsluitende partijen export van prestaties te verzekeren in
het kader van de takken van sociale zekerheid waarvoor de betreffende
partij de verplichtingen van de conventie op zich heeft genomen. De Raad
onderkent dat artikel 5, eerste lid, van de conventie deze verplichting
oplegt behoudens bepalingen die met dat doel in bi- of multilaterale
overeenkomsten tussen de verdragsluitende staten worden vastgelegd, en
dat artikel 8 aangeeft dat de verdragsluitende partijen aan hun uit
artikel 5 voortvloeiende verplichtingen kunnen voldoen door
bekrachtiging van bestaande of het sluiten van nieuwe overeenkomsten die
de uitvoering van bedoelde verplichtingen verzekeren. Noch uit de tekst
van de conventie noch uit de documenten die zijn geproduceerd in het
kader van de totstandkoming van de conventie valt evenwel af te leiden
dat de verplichting tot export van uitkeringen als zodanig afhankelijk
wordt gesteld van nadere overeenkomsten. Ook het Comité van Deskundigen
van de ILO is van oordeel dat de werking van de exportverplichting niet
afhankelijk is van nadere overeenkomsten tussen de verdragsluitende
partijen (rapport "Equality of treatment (Social Security)",
International Labour Conference 63rd Session 1977, pag. 52). Op grond
van het vorenstaande moet artikel 5, eerste lid, van de conventie naar
het oordeel van de Raad worden geacht een eenieder verbindende bepaling
te bevatten in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet die in
beginsel door de burger voor de rechter kan worden ingeroepen.
4.10. De Raad kan uit de tekst van de conventie en uit de wisseling van
standpunten die voorafgaand aan de totstandkoming van de conventie heeft
plaatsgevonden (Equality of Treatment of Nationals and Non-Nationals in
Social Security, Report VIII, International Labour Conference, 45th
Session, 1961) voorts niet afleiden dat bij de totstandkoming van de
conventie is beoogd de verdragsluitende partijen de vrijheid te geven,
bij nadere overeenkomst de export van uitkeringen nader te beperken door
bepaalde ouderdoms- of invaliditeitsuitkeringen of uitkeringen bij
overlijden hiervan uit te sluiten, of door de verplichting tot export te
beperken tot het grondgebied van de verdragsluitende partijen. Veeleer
is bij de totstandkoming van de conventie onderkend dat ter verdere
veiligstelling van aanspraken van migrerende werknemers behoefte bestond
aan nadere bepalingen op het gebied van samentelling van tijdvakken van
verzekering, pro-rataberekening van uitkeringen en verdeling van de
kosten, doch dat deze onderwerpen te zeer buiten het eigenlijke voorwerp
van de conventie stonden en derhalve nader tussen de verdragsluitende
partijen dienden te worden geregeld. De omstandigheid dat tussen
Nederland en Turkije het EVSZ van kracht is, waarin recentelijk de
toeslag op grond van de TW van de verplichting tot export is
uitgesloten, doet gelet op het vorenstaande niet af aan de uit artikel
5, eerste lid van de conventie voortvloeiende verplichting van
appellant, de toeslag van gedaagden ook in Turkije volledig te betalen.
4.11. De Raad kan appellant ten slotte niet volgen in zijn stelling dat
de handhavingsdoelstelling van de wet BEU en het karakter van de
Toeslagenwet een toereikende rechtvaardigingsgrond vormen om de export
van toeslag op grond van de TW achterwege te laten. De vraag of de aan
de betaling van uitkeringen in het buitenland inherente problemen, dan
wel de aard van bepaalde toe- en bijslagen bij invaliditeitsuitkeringen,
een toereikende rechtvaardigingsgrond vormen voor indirecte ongelijke
behandeling naar nationaliteit in de vorm van het achterwege laten van
export, moet worden geacht door de verdragsluitende partijen reeds in
negatieve zin te zijn beantwoord door het opnemen van een expliciete
verplichting tot export van dergelijke uitkeringen in de conventie. Aan
deze verplichting hebben de verdragsluitende partijen overigens de
mogelijkheid gekoppeld van nader overeen te komen bepalingen, voorzover
deze voor de export van uitkeringen noodzakelijk worden geacht.
5. Conclusie en kosten
5.1. Al het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de
aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen, zij het met
verbetering van de gronden.
5.2. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding appellant te
veroordelen tot betaling van de kosten die gedaagden in verband met het
hoger beroep van appellant hebben moeten maken. Deze kosten dienen te
worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit
proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage. De Raad
merkt de onderhavige zaken aan als zwaar, zodat het gewicht van de zaken
op 1,5 wordt gesteld. De Raad merkt voorts de gedingen tegen de
gedaagden 1, 2, 3, en 4 aan als samenhangende zaken, nu de bestreden
besluiten nagenoeg gelijkluidend en van gelijke datum zijn, de rechtbank
Amsterdam in deze zaken op dezelfde datum gelijkluidende uitspraken
heeft gedaan, appellant in deze zaken op gelijke gronden in hoger beroep
is gekomen, dezelfde advocaat zich voor deze gedaagden als gemachtigde
heeft gesteld, en de zaken op dezelfde datum ter zitting van de Raad
zijn behandeld waarbij deze gedaagden door dezelfde gemachtigde zijn
vertegenwoordigd. Deze zaken worden derhalve als één zaak aangemerkt,
waarvoor de Raad wegens samenhang de wegingsfactor 1,5 toepast. De Raad
merkt om dezelfde redenen de zaken 6 en 7 als samenhangend aan, met dien
verstande dat de rechtbank in deze zaken met een tussenruimte van tien
dagen uitspraak heeft gedaan. Ook deze zaken worden tezamen als één
zaak aangemerkt.
5.3. De door appellant te vergoeden proceskosten worden aldus begroot op
een bedrag van € 362,25 voor ieder van de gedaagden 1, 2, 3 en 4; op
een bedrag van € 483,= voor gedaagde 5; op een bedrag van € 241,50
voor ieder van de gedaagden 6 en 7, ten aanzien van gedaagde 7 te
betalen aan de griffier van de Raad; op een bedrag van € 966,= voor
gedaagde 8, te betalen aan de griffier van de Raad, en op een bedrag van
€ 483,= voor gedaagde 10. Ten aanzien van gedaagde 9 is niet gebleken
van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van de gedaagden 1, 2, 3 en 4
tot een bedrag van € 362,25 voor ieder van hen; in de proceskosten van
gedaagde 5 tot een bedrag van € 483,=; in de proceskosten van gedaagde
6 tot een bedrag van € 241,50; in de proceskosten van gedaagde 7 tot
een bedrag van € 241,50, te betalen aan de griffier van de Raad; in de
proceskosten van gedaagde 8 tot een bedrag van € 966,=, te betalen aan
de griffier van de Raad; en in de proceskosten van gedaagde 10 tot een
bedrag van € 483,=, steeds te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 3.480,= wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|