|
Uitspraak
02/1578
TW
B E S L I S S I N
G
van de geheimhoudingskamer van de Centrale Raad van Beroep inzake de
toepassing van artikel 8:29 in verbinding met artikel 8:45 van de
Algemene wet bestuursrecht
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Marokko), gedaagde.
I. INLEIDING
Het onderhavige geding behoort tot een cluster van zaken betreffende de
afbouw van een toeslag ingevolge de Toeslagenwet als gevolg van de
inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen.
In het kader van de voorbereiding van de behandeling van deze zaken
heeft de Raad bij brief van 12 november 2002 aan de staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid enige vragen gesteld en voorts verzocht
om toezending van stukken die betrekking hebben op de onderhandelingen
over aanpassing van de Verdragen inzake sociale zekerheid met Canada en
de Verenigde Staten van Amerika, inclusief de wijzigingsteksten.
Bij schrijven van 17 januari 2003 heeft de staatssecretaris de gestelde
vragen beantwoord. Als bijlagen bij deze brief waren gevoegd het
proces-verbaal van de onderhandelingen met de Verenigde Staten van
Amerika en correspondentie tussen de Canadese autoriteiten en het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de aanpassing van
de verdragstekst onder andere op het punt van de niet-exporteerbaarheid
van de toeslag ingevolge de Toeslagenwet.
Met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
heeft de staatssecretaris verzocht deze stukken niet aan partijen ter
kennis te brengen. Het zou toekomstige onderhandelingen kunnen schaden,
wanneer het risico bestaat dat stukken die in het kader van die
onderhandelingen worden opgemaakt openbaar moeten worden gemaakt.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:45 van de Awb juncto artikel 21, eerste lid, van de
Beroepswet kan de Raad partijen en anderen verzoeken binnen een door hem
te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen
berustende stukken in te zenden. Bestuursorganen zijn, ook als zij geen
partij zijn, verplicht aan een dergelijk verzoek te voldoen. Artikel
8:29 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb juncto artikel 21, eerste
lid, van de Beroepswet kan een partij die verplicht is stukken over te
leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het overleggen van
stukken weigeren of de Raad mededelen dat uitsluitend hij kennis zal
mogen nemen van die stukken. Ingevolge artikel 8:29, derde lid, van de
Awb juncto artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet beslist de Raad of
de in het eerste lid bedoelde beperking van de kennisneming
gerechtvaardigd is. Deze beslissing wordt genomen door een zogeheten
geheimhoudingskamer van de Raad.
De Raad overweegt met betrekking tot het verzoek van de staatssecretaris
dat (toekomstige) onderhandelingen over het tot stand brengen of
wijzigen van verdragen inderdaad schade zouden kunnen lijden, indien de
kans bestaat dat stukken, die in het kader van zodanige onderhandelingen
worden opgemaakt, openbaar worden gemaakt.
De Raad acht hierin voldoende rechtvaardigingsgrond gelegen voor de door
de staatssecretaris gevraagde beperking van de kennisneming van de bij
zijn brief van 17 januari 2003 ingezonden stukken.
Nu de Raad heeft beslist dat de beperking van de kennisneming
gerechtvaardigd is, kan hij ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de
Awb juncto artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet slechts met
toestemming van partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak
doen. Deze toestemming zal thans worden gevraagd. Afhankelijk van het
antwoord van partijen zal het dossier met dan wel zonder de onderhavige
stukken aan de behandelende kamer van de Raad worden overgedragen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bepaalt dat beperking van de kennisneming van de bij de brief van de
staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 januari
2003 gevoegde bijlagen gerechtvaardigd is.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en J.Th.
Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2003.
(get.) J. Janssen.
(get.). M.H.A. Uri.
|
|